ECLI:NL:RBDHA:2026:1871

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL25.62464
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b VbArt. 5.1c Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

Eiser is op 2 december 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 31 december 2025 behandeld.

Eiser betoogde dat zijn identiteit en nationaliteit reeds bekend waren en dat de bewaring daarom onterecht was. De rechtbank oordeelde echter dat de identiteit en nationaliteit niet met voldoende zekerheid vaststonden, waardoor de bewaring terecht was opgelegd. Daarnaast werden zware gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen en het onttrekken aan toezicht op vreemdelingen vastgesteld.

Eiser voerde aan dat hij in contact bleef met hulporganisaties en dat er geen onttrekkingsrisico was, maar de rechtbank vond dat dit onvoldoende was om de bewaring te weerleggen. Ook het argument dat een lichter middel had moeten worden toegepast faalde, omdat geen andere doeltreffende maatregelen mogelijk waren.

De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62464

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Singh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Grondslag maatregel van bewaring
1. Eiser betoogt dat hij ten onrechte op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring is gesteld. Zijn identiteit en nationaliteit waren tijdens het strafrechtelijk voortraject namelijk al bekend.
2. Voor toepassing van de a-grond geldt als vereiste dat de bewaring noodzakelijk is voor het vaststellen van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Hiervan is sprake wanneer de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid vaststaat (zie artikel 5.1c, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)). Naar het oordeel van de rechtbank is de a-grond terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Het feit dat de gegevens van eiser zijn overgenomen vanuit het strafrecht, betekent niet dat zijn identiteit en nationaliteit daarmee als vaststaand kunnen worden beschouwd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de a-grond terecht aan de bewaring ten grondslag gelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist de zware gronden 3a en 3b. Ten aanzien van de zware grond 3a voert eiser aan dat deze niet relevant is, omdat elke asielzoeker Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnenkomt. Ten aanzien van de zware grond 3b voert eiser aan dat, hoewel hij de feitelijkheid ervan niet betwist, hij wel in contact is gebleven met organisaties die hem helpen bij zijn asielaanvraag. Daarnaast verkeerde eiser in de veronderstelling dat hij pas na een paar jaar een tweede asielaanvraag kon indienen. Gelet op het voorgaande is volgens eiser dan ook geen sprake van een onttrekkingsrisico.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Eiser beschikt niet over een geldig reisdocument of een voor hem geldig visum om Nederland in te reizen. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling ook zelf gezegd Nederland zonder documenten te zijn ingereisd. Dat eiser als asielzoeker is binnengekomen, doet daar niet aan af. Voor asielzoekers geldt immers ook dat zij bij inreis in het bezit moeten zijn van een geldig paspoort. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3b zich feitelijk voordoet. In de maatregel is onder meer gemotiveerd dat eiser zijn aanwezigheid in Nederland niet onmiddellijk in persoon heeft gemeld bij de korpschef. Daarmee heeft eiser zich onttrokken aan het toezicht op vreemdelingen. Dat eiser in contact is gebleven met hulporganisaties en in de veronderstelling verkeerde dat hij pas na een paar jaar een herhaalde asielaanvraag kon indienen, doet aan deze (feitelijke) vaststelling niet af.
6. De zware gronden 3a en 3b en de niet betwiste zware grond 3c en de niet betwiste lichte gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eiser betoogt dat verweerder met een lichter middel dan de inbewaringstelling had moeten volstaan. Daartoe voert eiser aan dat hij een asielaanvraag heeft ingediend en dat op dit moment nog onduidelijk is wanneer hierop zal worden beslist. Eiser zal zich verder voor verweerder beschikbaar houden om deze aanvraag niet te frustreren.
8. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder verwijst daarbij terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Het feit dat op dit moment nog onduidelijk is wanneer op de asielaanvraag van verweerder wordt beslist en dat eiser zich voor verweerder beschikbaar zal houden, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Eiser heeft verder ook niet onderbouwd waarom de maatregel van bewaring voor hem onevenredig bezwarend is en verweerder daarom met een lichter middel had moeten volstaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
9. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858) gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.