Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.[verzoeker 1] ,
[verzoeker 2] ,
Rechtbank Den Haag
In deze civiele procedure hebben verzoekers een voorlopig getuigenverhoor aangevraagd om inzicht te verkrijgen in vermeende onrechtmatige handelingen en tekortkomingen van belanghebbende, waaronder negatieve uitlatingen en gedragingen die hun privéleven zouden verstoren.
Eerder was het voorlopig getuigenverhoor reeds deels gesloten, maar na hoger beroep heropend voor het horen van twee getuigen. Verzoekers verzochten vervolgens om het horen van drie nadere getuigen over een incident in maart 2024 en vermeende negatieve uitlatingen van belanghebbende aan gemeentelijke functionarissen.
De rechter-commissaris oordeelt dat het feitelijk gebeuren waarop het voorlopig getuigenverhoor betrekking heeft, zoals door het hof vastgesteld, beperkt is tot het verstoren van het privéleven door personen die zich ophielden bij de woning van verzoekers en negatieve uitlatingen die hun politieke positie beïnvloedden. De gevraagde nadere getuigenissen betreffen andere feiten die buiten deze reikwijdte vallen en bovendien van latere datum zijn.
Daarom wordt het verzoek tot het horen van de drie nadere getuigen afgewezen en het voorlopig getuigenverhoor gesloten. Deze beslissing is genomen door rechter-commissaris A.M. Boogers en op 20 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Verzoek tot het horen van drie nadere getuigen wordt afgewezen en het voorlopig getuigenverhoor wordt gesloten.