ECLI:NL:RBDHA:2026:18719

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL25.62090
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGArt. 3.9a VVWI 2024/6WI 2025/6Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tijdelijke bescherming Oekraïense ontheemde wegens onvoldoende bewijs duurzaam verblijf

Eiseres, een Oekraïense onderdaan, verzocht om tijdelijke bescherming onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) vanwege de oorlog in Oekraïne. De minister wees haar aanvraag af omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij duurzaam in Oekraïne verbleef in de relevante periode voorafgaand aan haar vertrek.

De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende bewijs heeft geleverd om haar duurzame verblijf in Oekraïne tussen 27 november 2021 en 23 september 2024 aan te tonen. Het overgelegde paspoort en andere bewijsstukken, zoals pinbonnen en verklaringen, zijn onvoldoende om vast te stellen dat zij als ontheemde onder de RTB valt.

Eiseres stelde dat de minister een te strenge bewijsmaatstaf hanteerde en dat de bewijslast omgekeerd moest worden, maar de rechtbank volgt dit niet. De RTB vereist dat de aanvrager het duurzame verblijf aantoont, en de minister heeft terecht geoordeeld dat dit niet is gebeurd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat zij onvoldoende heeft aangetoond duurzaam in Oekraïne te hebben verbleven en daardoor niet onder de RTB valt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62090

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,geboren op [geboortedatum], van Oekraïense nationaliteit, V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om eiseres geen bescherming te bieden als bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [1] (hierna: RTB). Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft de Oekraïense nationaliteit. Zij heeft aangegeven dat ze in Nederland wilt verblijven onder de RTB. De minister heeft op 12 februari 2025 beslist dat eiseres niet in aanmerking komt hiervoor. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het verzoek om voorlopige voorziening. [2] Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister vindt dat eiseres niet onder de RTB valt. De minister is er niet van overtuigd dat eiseres door de oorlog ontheemd is geraakt oftewel gedwongen haar woonplek moest verlaten. Eiseres stelt voor het eerst uit Oekraïne te zijn vertrokken op 23 september 2024. Volgens de minister heeft eiseres echter niet kunnen aantonen dat zij voor haar vertrek in Oekraïne heeft gewoond. Ook uit het overgelegde paspoort dat is afgegeven op 20 augustus 2024 kan niet worden opgemaakt hoe lang en of eiseres duurzaam in Oekraïne heeft verbleven. In dit geval is er een recent uitgegeven paspoort en een uitreisstempel vlak daarna (23 september 2024). Daarom is er volgens de minister additioneel bewijs nodig waarmee aangetoond kan worden dat eiseres in de periode voorafgaand aan de uitgifte van haar paspoort duurzaam in Oekraïne heeft geleefd. Hierbij wordt er beoordeeld vanaf de periode 27 november 2021 [3] tot de uitgiftedatum van het paspoort van eiseres op 20 augustus 2024. De minister stelt dat eiseres het duurzaam verblijf niet heeft aangetoond en dus niet behoort tot één van de groepen ontheemden uit Oekraïne die recht hebben op tijdelijke bescherming in Nederland. [4]

Het beroep van eiseres

4. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat zij niet onder de RTB valt. Eiseres vindt dat dat de minister een te strenge eis hanteert door van haar te verlangen dat zij over de gehele periode moet aantonen dat zij in Oekraïne verbleef. Eiseres stelt dat de minister een geloofwaardigheidstoets als bedoeld in WI [5] 2024/6 [6] zou moeten verrichten. Volgens eiseres hoeft zij op grond van WI 2025/6 [7] enkel aannemelijk te maken dat het feitelijke centrum van haar leven in Oekraïne was. Eiseres stelt dat ze verschillende bewijzen heeft overgelegd en dat de bewijslast daarom nu niet meer bij haar, maar bij de minister ligt. De minister moet aantonen dat eiseres niet in Oekraïne woonde.

Toetsingskader

5. De RTB biedt minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming bij massale toestroom van ontheemden. [8] Uit de Richtlijn volgt dat het begrip ‘ontheemde’ van toepassing is op iemand die zijn land of regio van oorsprong heeft moeten verlaten als gevolg van – voor zover in eiseres geval relevant – een gewapend conflict. [9] Door de inval van Rusland in Oekraïne op 24 februari 2022 werd de Europese Unie geconfronteerd met een groeiende toestroom van Oekraïense burgers en derdelanders die op dat moment al dan niet legaal in Oekraïne verbleven. De Raad van de Europese Unie heeft daarom in een Uitvoeringsbesluit [10] van 4 maart 2022 besloten de RTB toe te passen op ontheemden uit Oekraïne. Uit het Uitvoeringsbesluit blijkt dat Oekraïense onderdanen die voor 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven tijdelijke bescherming moeten krijgen. [11] Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid [12] om die bescherming uit te breiden door te bepalen dat ook tijdelijke bescherming wordt toegekend aan Oekraïners die Oekraïne na 26 november 2021 zijn ontvlucht of in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Unie zijn gereisd. De uitwerking van deze keuze is opgenomen in artikel 3.9a van het VV. [13] Oekraïners die vóór 27 november 2021 elders in Europa [14] verbleven vallen niet onder de Richtlijn.
Oordeel van de rechtbank
6. Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiseres een Oekraïense onderdaan is. Geschilpunt is of zij voor haar vertrek duurzaam in Oekraïne verbleef en of zij als ontheemde als bedoeld in de RTB kan worden aangemerkt. Meer concreet ligt ter beoordeling voor of eiseres haar duurzame verblijf in Oekraïne voldoende heeft bewezen.

Geloofwaardigheidsbeoordeling

7. De rechtbank overweegt dat eiseres haar gronden met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling in het kader van het Unierecht en WI 2024/6 niet opgaan, nu deze zaak niet de asielaanvraag van eiseres behandelt. Het ‘voordeel van de twijfel’ in het licht van de geloofwaardigheidsbeoordeling is dan ook niet aan de orde. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat het begrip voordeel van de twijfel ook een rol speelt bij de omkering van de bewijslast. Daar gaat de rechtbank hierna op in.

Bewijslast

8. Zoals uit het hiervoor opgenomen toetsingskader volgt, is de RTB alleen van toepassing op ontheemden. Om als ontheemde in de zin van de RTB te kunnen worden aangemerkt, moet kunnen worden vastgesteld dat eiseres in een bepaalde periode haar hoofdverblijf in Oekraïne had. Tussen partijen staat niet er discussie dat de bewijslast bij eiseres ligt. Eiseres vindt dat zij haar duurzaam verblijf in Oekraïne aannemelijk heeft gemaakt en dat de bewijslast daarom is omgekeerd en de minister het tegendeel moet bewijzen. De minister stelt dat eiseres het duurzaam verblijf niet aannemelijk heeft gemaakt of heeft aangetoond. Volgens de minister geldt het strengere criterium van ‘aantonen’. De minister leidt dit af uit het feit dat het onder de RTB, gelet op de grote toestroom van ontheemden onder de RTB, niet de bedoeling is een uitgebreide individuele beoordeling te maken. De minister verwijst in dit kader ook naar de preambule van het Uitvoeringsbesluit. [15] Eiseres is het met de minister eens dat het onder de RTB niet de bedoeling is een uitgebreide individuele toets te maken, maar betoogt in dat kader dat als dat toch noodzakelijk wordt geacht, zoals hier, dat dan de bewijslast omkeert en bij de minister ligt. Uit de door de minister aangehaalde passage in de preambule volgt volgens eiseres niet dat het criterium ‘aantonen’ van toepassing is, omdat deze overweging op derdelanders ziet.
8.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat eiseres met haar verklaringen en bewijsstukken niet heeft aangetoond dat zij Oekraïne niet vóór 27 november 2021 heeft verlaten en zij heeft ook niet kunnen aantonen dat zij vóór 23 september 2024 - de datum waarop zij stelt te zijn vertrokken uit Oekraïne - duurzaam in Oekraïne heeft gewoond. De minister heeft in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd, waarom de door eiseres overgelegde bewijsstukken onvoldoende zijn. Zoals de minister terecht heeft overwogen, zien maar een paar van de bewijsstukken op het verblijf in Oekraïne in de periode tussen 27 november 2021 en 20 augustus 2024 (datum afgifte paspoort) of 23 september 2024 (datum van vertrek). De bonnen van pintransacties, foto’s, de verklaring van eiseres haar broer en de overige stukken zijn onvoldoende, om vast te stellen dat eiseres duurzaam in Oekraïne verbleef. Bovendien kan met de afgifte van eiseres haar paspoort op 20 augustus 2024, enkel vastgesteld worden dat zij toen haar paspoort in ontvangst heeft genomen, maar niet dat zij toen duurzaam in Oekraïne verbleef.
8.2.
Nu eiseres onvoldoende bewijs heeft aangeleverd, is het niet relevant of zij haar duurzame verblijf in Oekraïne vóór 27 november 2021 moest aantonen of aannemelijk maken. Aan beide criteria heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij haar duurzaam verblijf aannemelijk heeft gemaakt of een begin van bewijs heeft geleverd, waardoor de bewijslast niet langer op haar, maar op de minister rust.
8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op goede gronden besloten dat eiseres niet onder de RTB valt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt ook het griffierecht niet terug en geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001, betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.NL25.16846.
3.De door de IND vastgestelde peildatum die volgt uit WI 2025/6 Oekraïne en de Richtlijn tijdelijke bescherming.
4.Artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.
5.Werkinstructie.
6.WI 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).
7.WI 2025/6 Oekraïne en de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
8.Artikel 1 van Pro de RTB.
9.Artikel 2, onder c, van de RTB.
10.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
11.Artikel 2 van Pro het Uitvoeringsbesluit.
12.Artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn en artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit.
13.het Voorschrift Vreemdelingen 2000.
14.Buiten Nederland, zie artikel 3.9a, eerste lid onder b van het VV.
15.Zie overweging 12.