ECLI:NL:RBDHA:2026:18720

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL25.16846
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening verblijfsrecht onder Richtlijn Tijdelijke Bescherming

Verzoekster heeft een verblijfsverzoek ingediend onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, dat door de minister van Asiel en Migratie op 12 februari 2025 is afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de minister handhaafde het besluit op 20 november 2025. Tijdens de bezwaarprocedure vroeg verzoekster de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 2 juli 2026 samen met de hoofdzaak (zaaknummer NL25.62090). Omdat de rechtbank op die datum uitspraak deed in de hoofdzaak, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16846

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoekster,

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: J.H.A. van Eijk).

Procesverloop

1. Verzoekster heeft aangegeven dat ze in Nederland wilt verblijven onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De minister heeft op 12 februari 2025 beslist dat verzoekster niet in aanmerking komt hiervoor. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hangende bezwaar de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij het besluit gebleven.
1.2.
Het verzoek om voorlopige voorziening dat is ingediend tijdens de bezwaarprocedure wordt op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gelijkgesteld met een verzoek dat is gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter. De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van de zaak NL25.62090, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.62090, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.