Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
- de dagvaarding van 6 maart 2026, met producties 1 tot en met 20;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4;
- het tussenvonnis van 20 mei 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
- de akte van 16 juni 2026 met een eiswijziging en aanvullende productie (21) van [eiser].
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
een parkeerterrein nabij de […], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer [perceel X], groot zes are vier en twintig centiare”. Het hof oordeelde dat de koper er – op basis van alle relevante feiten en omstandigheden in die zaak – op mocht vertrouwen dat partijen een overeenkomst hadden gesloten met betrekking tot het gehele parkeerterrein. Mr. Overeem heeft toegelicht dat dit arrest van belang is omdat het hof hier oordeelde dat indien de verkoper een stukje van het parkeerterrein had willen uitsluiten van de koop, hij dat aan de koper had moeten meedelen. Nu hij dat niet had gedaan, mocht koper aannemen dat de koop zag op het gehele terrein. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het al dan niet doen van een mededeling door verkoper was niet doorslaggevend. Het hof heeft diverse factoren – zoals een voorgeschiedenis en eerdere strijd tussen partijen omtrent het betreffende terrein – meegewogen die hier niet aan de orde zijn. Het oordeel dat het gehele parkeerterrein was verkocht is mede op die factoren gebaseerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding op basis van dit arrest tot een ander oordeel te komen dan is vermeld onder 4.5.