ECLI:NL:RBDHA:2026:18742

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
09-078741-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 38p SrArt. 63 SrArt. 310 Sr
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor winkeldiefstal met oplegging voorwaardelijke ISD-maatregel

Op 16 maart 2026 heeft de verdachte te 's-Gravenhage meerdere blikjes Red Bull, whisky cream en een draagtas weggenomen uit een Albert Heijn supermarkt zonder te betalen. Dit werd vastgesteld aan de hand van aangifte, kassabon, bevindingen en camerabeelden. De verdachte werd aangehouden en de rechtbank verklaarde het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De verdachte heeft een strafblad met meerdere eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten en kampt met verslavingsproblematiek, geen stabiele huisvesting, geen inkomen en een hoog recidiverisico. De reclassering adviseerde een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, maar de rechtbank legde een voorwaardelijke ISD-maatregel op met een proeftijd van twee jaar, om de verdachte te stimuleren zijn problematiek aan te pakken.

De rechtbank wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken af, omdat hulpverlening nog benut moet worden en dit niet verenigbaar is met de ISD-maatregel. De voorlopige hechtenis van de verdachte werd opgeheven. De maatregel is gebaseerd op de artikelen 38m, 38n, 38p, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor winkeldiefstal en opgelegd een voorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar met proeftijd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/078741-26 en 09/290317-25 (tul)
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] (Polen),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 24 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. P.M. Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. Looman naar voren is gebracht.
Ter terechtzitting is reclasseringsmedewerker [naam 1] als deskundige gehoord.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 maart 2026 te 's-Gravenhage vier, althans een of meerdere, blikje(s) red bull en/of drie, althans een of meerdere whisky cream en/of een draagtas, althans diverse drankjes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan in winkelbedrijf Albert Heijn (gelegen aan de [adres] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026090309, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 43).
1.
Het proces-verbaal van aangifte door D. Uphof, opgemaakt op 16 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 10):
Pleegdatum: 16 maart 2026
Hij deed aangifte namens slachtoffer Albert Heijn, gevestigd op [adres] te ’S-GRAVENHAGE.
Ik zag de verdachte de producten uit een winkelmandje in een tas doen. De verdachte passeerde de kassa zonder de goederen ter betaling aan te bieden. Ik zag dat de verdachte zonder af te rekenen voorbij de poortjes van de zelfscan liep naar de uitgang. Bij het uitvoeren van een zelfscan controle bleek dat niet alle goederen waren gescand door de verdachte.
2.
Het geschrift, te weten een kassabon, voor zover inhoudende (p. 12);
3.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 13):
Wij hebben van de medewerker van de Albert Heijn de camerabeelden gekregen. Dit betrof verschillende fragmenten in de Albert Heijn met titel: 20260316. Dit betrof de datum wanneer de winkeldiefstal gepleegd is.
Ik zag dat de verdachte naar de loopband van de kassa, voor hem liep en een plastic blauw Albert Heijn tas pakte.
Toen de klant uit het camerabeeld verdween zag ik dat de verdachte de boodschappen uit het mandje haalde en in het plastic blauwe Albert Heijn tasje stopte. Ik zag dat de verdachte met zijn lichaam omhoog kwam en de plastic blauwe Albert Heijn tas in zijn linkerhand vasthield. Ik zag dat de winkelmand op de grond stond naast het schap. Ik zag dat de verdachte met de plastic blauwe Albert Heijn tas in zijn linkerhand, langs twee kassa's en de kassa's van de zelfscan liep. Ik zag dat de verdachte door het poortje van de zelfscankassa liep die open stond.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 35):
Op maandag 16 maart 2026 werd in de supermarkt: Albert Heijn, gevestigd [adres] te 's-Gravenhage; als verdachte van winkeldiefstal aangehouden de verdachte genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] (Polen).
3.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 16 maart 2026 te 's-Gravenhage vier blikjes red bull en drie whisky cream en een draagtas, die aan winkelbedrijf Albert Heijn (gelegen aan de [adres] ) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.Het opleggen van de maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de duur van twee jaar wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel).
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om geen ISD-maatregel op te leggen omdat een eerder hulpverleningstraject nog niet tot stand is gekomen en eerst dient te worden benut.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een hinderlijk feit dat financiële schade en overlast veroorzaakt. Bovendien draagt een dergelijk feit bij aan de versterking van gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving en bij winkelpersoneel. De verdachte heeft onvoldoende rekening gehouden met deze gevolgen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 mei 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte al veel vaker voor een soortgelijk misdrijf is veroordeeld, waarvoor hij ook gevangenisstraffen heeft gekregen. Dit heeft hem er klaarblijkelijk niet van weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 2 juni 2026, waaruit volgt dat sprake is van verslavingsproblematiek. Deze
verslavingsproblematiek heeft een groot negatief effect op alle overige leefgebieden en die zijn daarmee eveneens risicofactoren. De verdachte heeft geen stabiele huisvesting, geen passende gestructureerde dagbesteding, geen inkomen of recht op een uitkering en het ontbreekt hem aan een sociaal steunend netwerk zowel in Nederland als in Polen. Daarnaast is het leefgebied psychosociaal functioneren een risicofactor. De verdachte is gaan drinken na de scheiding van zijn vrouw en het hieruit voortvloeiende gemis van zijn zoon. Hij kan daarnaast vanwege zijn (verblijf)status geen aanspraak maken op sociale voorzieningen, waardoor het lastig is om beschermende factoren te creëren. De reclassering is van oordeel dat er sprake is van een hoog recidiverisico en adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen de onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
ISD-maatregel: de ‘harde criteria’
De rechtbank zal aan de hand van de harde en de zachte criteria bespreken of de verdachte voldoet aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel.
Het feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Uit het strafblad blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij deze feiten pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. De feiten waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Aan de zogenoemde harde criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel is dus voldaan.
ISD-maatregel: de ‘zachte criteria’
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of ook aan de zogenoemde zachte ISD-criteria is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank beoordeelt of alle reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive zijn uitgeput en dus het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van de reclassering over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel voor de verdachte. Dat advies van 2 juni 2026 is opgemaakt en ondertekend door [naam 1] en [naam 2] . De reclassering adviseert om aan de verdachte de ISD-maatregel op te leggen.
Uit het rapport volgt dat het plegen van strafbare feiten door de verdachte te maken heeft met verslavingsproblemen en met problemen die uit deze verslaving voortvloeien, zoals hierboven onder ‘persoon van de verdachte’ uiteen is gezet. De reclassering heeft daarnaast uiteengezet en ter zitting toegelicht dat zij in een eerder traject niet met de verdachte hebben kunnen werken, omdat er geen contact te leggen was. De raadsman heeft hierop gereageerd en toegelicht hoe contact kan worden opgenomen met de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij gemotiveerd is om met de reclassering te werken. De rechtbank is van oordeel, zoals ook de raadsman heeft gesteld, dat nog niet alle andere minder ingrijpende alternatieven zijn uitgeput, maar ziet tevens de problematiek waar de verdachte mee kampt. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel voorwaardelijk aan de verdachte opleggen, met een proeftijd van twee jaren. Hiermee beoogt de rechtbank de verdachte te stimuleren om, buiten het dwingende kader van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, zijn problematiek op te lossen en te stoppen met het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal geen bijzondere voorwaarden verbinden aan de proeftijd, omdat die al zijn opgelegd in het kader van een op dit moment nog lopende proeftijd van een voorwaardelijke straf.
Het is aan de verdachte om te laten zien dat hij bereid en in staat is om zijn leven een positieve wending te geven. Als dat niet lukt, ligt het voor de hand dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel nodig zal zijn om de maatschappij tegen het overlastgevende handelen van de verdachte te beschermen. Om die reden zal de rechtbank de voorwaardelijke ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en daarbij bepalen dat de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft gezeten niet wordt afgetrokken van de duur van die maatregel.

7.De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de vordering tenuitvoerlegging ter zitting gewijzigd, in die zin dat wordt gevorderd dat de bij parketnummer 09/290317-25 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 3 november 2025 voorwaardelijk opgelegde straf van vier weken gevangenisstraf, niet ten uitvoer wordt gelegd en dat de bijzondere voorwaarden verbonden aan de straf worden opgeheven en bij de behandeling in het kader van de ISD-maatregel worden betrokken.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen betreffende de vordering tenuitvoerlegging.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de bij parketnummer 09/290317-25 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 3 november 2025 opgelegde gevangenisstraf van vier weken afwijzen. De bijzondere voorwaarden die aan deze straf zijn gekoppeld worden daarmee gehandhaafd. De rechtbank is van oordeel dat de mogelijkheden van de hulpverlening in dit kader dienen te worden benut. Tevens verhoudt een eventuele tenuitvoerlegging zich niet met de oplegging van de (voorwaardelijke) ISD-maatregel.

8.De voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft op 24 juni 2026 in raadkamer beslist dat de voorlopige hechtenis van verdachte per direct wordt opgeheven. Deze beslissing is separaat opgemaakt.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:
38m, 38n, 38p, 63, 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van
2 (TWEE) JAREN;
bepaalt dat die maatregel niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde
- zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
wijst af de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 3 november 2025, gewezen onder parketnummer 09/290317-25 te weten een gevangenisstraf van vier weken.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R. Aaron, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. N. Hengeveld, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.