ECLI:NL:RBDHA:2026:18743

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
09-222086-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 312 SrArt. 7 Wegenverkeerswet 1994Art. 176 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal met geweld en verlaten plaats ongeval met schadevergoeding

Op 9 augustus 2025 heeft de verdachte samen met een ander een Volkswagen Golf GTE gestolen aan de Valkenboskade te 's-Gravenhage, waarbij geweld is gebruikt tegen een getuige. Tevens heeft de verdachte de plaats van een verkeersongeval verlaten waarbij schade aan een derde is toegebracht.

Tijdens de terechtzitting op 24 juni 2026 heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het gebruik van een vuurwapen, omdat dit niet overtuigend kon worden vastgesteld. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte medepleger was bij de diefstal met geweld en dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten.

De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, maar de rechtbank legde een gevangenisstraf van 167 dagen op, gelijk aan de duur van het voorarrest, zonder voorwaardelijk deel.

De benadeelde partijen vorderden schadevergoedingen; de rechtbank wees een deel van de vorderingen toe, namelijk €1000,- aan materiële schade aan de eerste benadeelde en €350,- aan de tweede, met wettelijke rente vanaf 9 augustus 2025. De overige vorderingen werden niet-ontvankelijk verklaard of afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schadevergoedingen en proceskosten, met mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 167 dagen gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor gedeeltelijke schadevergoeding aan benadeelden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/222086-25
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 10 november 2025, 5 februari 2026 (beide pro forma) en 24 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. G.A.J. Purperhart naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 9 augustus 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op of aan de openbare weg, te weten de Valkenboskade, een auto (merk/type Volkswagen Golf GTE, voorzien van kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [getuige] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- op de [getuige] af te rennen, en/of
- die [getuige] vast te pakken, en/of
- aan die [getuige] (een op) een vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen en/of dat vuurwapen te richten op die [getuige] , en/of
- aan die [getuige] te vragen - zakelijk weergegeven - waar de sleutels van de auto waren, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
2
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in 's-Gravenhage op/aan de Valkenboskade, op of omstreeks 9 augustus 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [benadeelde] ) letsel en/of schade was toegebracht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte partiële vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025271241 (Melkvis), van de politie eenheid Den Haag, district West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 184).
De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
1.
Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] , opgemaakt op 9 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 9-10):
Plaats delict: ’s-Gravenhage
Pleegdatum: 9 augustus 2025
Mijn voertuig is een witte Volkswagen Golf GTE, voorzien van kenteken [kenteken] .
Ik stond met de bovengenoemde personen voor de woning op Valkenboskade ter hoogte van [huisnummer] . Ik had mijn voertuig daar in de buurt in een parkeervak geparkeerd.
Ik zag een scooter aankomen. Ik zag dat de bestuurder van de scooter afstapte. Ik zag dat hij sluw op ons af kwam lopen.
Toen ik met de collega's van de politie aan de telefoon was hoorde ik
van [getuige] dat mijn voertuig was weggenomen door een van de personen die op de scooter zat.
2.
Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , opgemaakt op 9 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 15):
Ik zag dat deze twee mannen van een motor afstapte. Toen ik dat zag, zag ik daarna plotseling twee mannen op mij afrennen. Beide mannen droegen een helm. Toen ze bij mij kwamen zetten ze mij tegen de auto aan. Ze vroegen waar de sleutels
waren van de auto.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 81-82):
Op 9 augustus 2025 hoorden wij via de meldkamer van een beroving van een
voertuig. Het zou gaan om een witte Volkswagen Golf GTE met het kenteken [kenteken] .
Vervolgens reden we achter het voertuig. Op de Vondellaan reed de eenheid RT1140 tegengesteld. Zij reden het voertuig frontaal klem.
De verdachte bleek later te zijn: [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1997.
4.
De verklaring van de verdachte [verdachte] , afgelegd op de terechtzitting van 24 juni 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik met een persoon was.
Die auto was onbewoond gelaten, ik stapte erin. En toen dacht ik: hé ik heb die auto. Ik heb best een stuk gereden.
5.
Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] , opgemaakt op 10 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 79):
Politie heeft zaterdag 9 augustus aangebeld en vroeg of de Mitsubishi van mij is. Ik heb gezegd klopt. Politie gaf aan dat er vannacht een auto is gestolen in ons straat en ermee zijn ze weggereden. Hierdoor is er schade veroorzaakt aan mijn auto aan de linkerzijde vanaf de achter scherm tot en met aan de voor scherm.
6.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 51):
Ik zag een bruine Mitsubishi ASX in een parkeervak staan. Ik zag aan de linkerzijde van het voertuig meerdere witte lakstrepen. Ook zag ik meerdere deuken aan de linkerzijde van het voertuig. Ter hoogte van het midden van het voertuig zag ik een wit stuk kunststof liggen. Ik herkende dit stuk kunststof als zijnde een kap van een autospiegel.
7.
Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, op 12 augustus 2025 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier, voor zover inhoudende:
Ik kan niet zien zonder mijn bril. En als ik mijn helm afdoe, gaat ook mijn bril af.
Daardoor heb ik schade gereden. Ik stopte midden op de straat om te kijken wat ik
had gedaan.
3.4.
Bewijsoverwegingen
In vereniging plegen van diefstal met geweld
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte heeft verklaard dat hij verhaal wilde halen bij één van de jongens uit de groep waartoe aangever [aangever] behoorde. Uit zijn verklaring en de getuigenverklaringen blijkt dat de verdachte samen met een andere persoon op een scooter naar de groep is gereden. Vervolgens zijn zij op de groep jongens afgerend en hebben zij een van hen vastgepakt en tegen de auto aangeduwd. Ook is toen gevraagd waar de autosleutels waren. Dat uit de bewijsmiddelen geen duidelijk vooraf besproken rolverdeling volgt, betekent niet dat er geen sprake van medeplegen kan zijn. Uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte bewust en nauw met een andere persoon heeft samengewerkt. Ook leidt de rechtbank uit bovenstaande af dat er sprake was van opzet op de samenwerking en opzet op het gronddelict. Daarmee is voldaan aan de vereisten van medeplegen. Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen dat geweld is toegepast om de diefstal van de auto gemakkelijk te maken. De verdachte is vervolgens in de auto gaan zitten en is weggereden, waarmee hij de auto aan de beschikkingsmacht van de eigenaar heeft onttrokken.
Het tonen van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp)
De rechtbank constateert dat de persoon op wie het wapen zou zijn gericht ( [getuige] ), in tegenstelling tot zijn eerdere verklaring bij de politie, bij de rechter-commissaris heeft verklaard géén vuurwapen te hebben gezien. Andere getuigen, met uitzondering van aangever [aangever] , hebben ook niet verklaard over de aanwezigheid van een vuurwapen. Daarnaast ontkent de verdachte stellig dat er een vuurwapen in het spel was. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de diefstal is gepleegd met behulp van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) en zal zij de verdachte daarom vrijspreken van dat deel van het tenlastegelegde onder feit 1.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 9 augustus 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, op of aan de openbare weg, te weten de Valkenboskade, een auto (merk/type Volkswagen Golf GTE, voorzien van kenteken [kenteken] ), die geheel of ten dele aan [aangever] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen [getuige] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- op
die [getuige] af te rennen, en
- die [getuige] vast te pakken, en
- aan die [getuige] te vragen - zakelijk weergegeven - waar de sleutels van de auto waren;
2
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in 's-Gravenhage op de Valkenboskade, op of omstreeks 9 augustus 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander (te weten [benadeelde] ) schade was toegebracht.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, contactverbod, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht om een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Subsidiair zou hier een voorwaardelijk deel aan gekoppeld kunnen worden met daaraan de algemene voorwaarden verbonden. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om te volstaan met een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de diefstal van een voertuig, waarbij ook geweld is gebruikt. De verdachte en de medepleger zijn op een motorscooter naar de groep jongens gereden, en zijn daarna op hen afgerend. Zij hebben een van de jongens vastgepakt en tegen de auto aangeduwd. Nadat zij vroegen waar de autosleutel was, is de verdachte in de auto van de aangever gestapt en weggereden. Tijdens het wegrijden heeft hij schade veroorzaakt aan een geparkeerde auto. Diefstal met geweld en in vereniging is een ernstig feit dat op de slachtoffers over het algemeen een grote impact heeft. Dat hiervan ook in dit geval sprake is, blijkt uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij [aangever] . Ook het wegrijden na een ongeval is een vervelend feit. De verdachte heeft met het plegen van deze misdrijven geen respect getoond voor andermans eigendom en lichamelijke integriteit. Tevens leiden dit soort misdrijven die op straat plaatsvinden tot onrust en een onveilig gevoel in de samenleving.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 april 2026. Het strafblad is niet van invloed op de op te leggen straf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 7 november 2025, waaruit volgt dat geen sprake is van duidelijke problematiek. Het recidiverisico kan niet worden ingeschat. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een contactverbod, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening.
Strafmaat
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest passend en geboden. Deze straf is aanzienlijk korter dan de officier van justitie gevorderd heeft. Dat komt doordat de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken van het gebruik van een vuurwapen. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De verdachte heeft de afgelopen maanden laten zien dat hij zijn leven heeft opgepakt door serieus te werken aan zijn studie, werk en financiën. Het opleggen van de bijzondere voorwaarden is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet meer nodig.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever], bijgestaan door mr. J. Peters, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 118.238,19, en te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 16.988,19 aan materiële schade, € 100.000,- aan toekomstige materiële schade en € 1250,- aan immateriële schade.
[benadeelde], bijgestaan door mr. A. Fraij van Slachtofferhulp Nederland, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 350,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert ten aanzien van de vordering van [aangever] tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de posten herstelkosten ( € 4392,66), de leasekosten ( € 595,53) en de immateriële schade ( € 1250,-). Verder concludeert zij tot een matiging van het bedrag dat is gevorderd ten aanzien van de huurauto ( € 4500,-) en tot afwijzing van het bedrag dat voor de cursuskosten is gevorderd ( € 7500,-). Voor het overige concludeert de officier van justitie tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde] concludeert de officier van justitie tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om de herstelkosten van de auto ( € 4392,56), de kosten voor een huurauto ( € 4500,-), de leasekosten ( € 595,53) en de cursuskosten ( € 7500,-) niet-ontvankelijk te verklaren. Tevens verzoekt de raadsman om de immateriële schade ( € 1250,-) niet ontvankelijk te verklaren dan wel te matigen. Verder verzoekt de raadsman de rechtbank de post toekomstige schade ( € 100.000,-) niet-ontvankelijk te verklaren.
De verdediging refereert zich ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde] aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
[aangever]
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten herstelkosten auto ( € 4392,66), leasekosten ( € 595,53), cursuskosten ( € 7500,-), immateriële schade ( €1250,-) en toekomstige materiele schade ( € 100.000,-) de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post huurauto, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van € 1000,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, nu een eindafrekening ontbreekt.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1000,- , bestaande uit materiële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [aangever] .
[benadeelde]
De vordering is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 350,-, bestaande uit materiële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 350,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [benadeelde] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
36f, 57, 312 van het Wetboek van Strafrecht;
7, 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van feit 2:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
167 (HONDERDZEVENENZESTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
[aangever]
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
[benadeelde]
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 350,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 350,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [benadeelde] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 3 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.X. Cozijn, voorzitter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
mr. N. Hengeveld, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.