ECLI:NL:RBDHA:2026:18744

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
09-068009-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitie
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak diefstal met geweld en veroordeling voor bezit omgebouwde alarmrevolver en munitie

De rechtbank Den Haag behandelde op 8 juli 2026 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van diefstal met geweld en het bezit van een omgebouwde alarmrevolver met munitie.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de diefstal met geweld omdat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend was bewezen. De verklaring van verdachte dat hij zijn motor had uitgeleend en zijn telefoon daarin had achtergelaten, kon niet worden weerlegd.

Wel werd verdachte veroordeeld voor het bezit van een omgebouwde alarmrevolver en vier stuks randvuurmunitie, aangetroffen in zijn woning te Vlaardingen. De rechtbank verbeterde de tenlastelegging waar nodig zonder dat verdachte in zijn verdediging werd geschaad.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van vijf maanden op, met aftrek van het voorarrest, gelet op de ernst van het feit, het strafblad van verdachte en de landelijke oriëntatiepunten. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering omdat verdachte werd vrijgesproken van het feit waarop de vordering betrekking had.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van diefstal met geweld en veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf voor bezit van omgebouwde alarmrevolver en munitie; benadeelde partij niet-ontvankelijk in schadevordering.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/068009-26
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 1 juni 2026 (pro forma) en 24 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. G.N. Weski naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 9 augustus 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op of aan de openbare weg, te weten de Valkenboskade, een auto (merk/type Volkswagen Golf GTE, voorzien van kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- op die [slachtoffer] af te rennen, en/of
- die [slachtoffer] vast te pakken, en/of
- aan die [slachtoffer] (een op) een vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen en/of dat vuurwapen te richten op die [slachtoffer] , en/of
- aan die [slachtoffer] te vragen - zakelijk weergegeven - waar de sleutels van de auto waren, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
2
hij op of omstreeks 5 maart 2026 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwde alarmrevolver, van het merk BBM, type Olympic .38, kaliber .22 Long Rifle zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en (bijbehorende) munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vier stuks randvuurmunitie, van het merk Remmington, kaliber .22 Long Rifle voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Vrijspraak van feit 1
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De verklaring ter zitting van de verdachte dat hij ten tijde van het tenlastegelegde zijn motor had uitgeleend en toen zijn telefoon in de opbergruimte van dat voertuig had gelaten, wordt naar het oordeel van de rechtbank niet weerlegd door de inhoud van het dossier en kan niet zonder meer als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat zij de verdachte daarom zal vrijspreken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025271241 (Melkvis), van de politie eenheid Den Haag, district West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 275).
1.
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 24 juni 2026:
Ik heb het vuurwapen afgepakt, ben naar huis gereden en heb het thuis gelaten.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 202-204):
Op 5 maart 2026 werd voor een doorzoeking op grond van de wet wapens en munitie binnengetreden in de woning [adres 2] .
Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen: 1x vuurwapen gelijkend op een revolver, 4x munitie.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 21 mei 2026, voor zover inhoudende (p. 272-274):
Het wapen werd aangetroffen in een woning, [adres 2]
.
Soort wapen: Omgebouwde alarmrevolver
Merk: BBM
Model: Olympic 38
Kaliber: .22 LR (Long Rifle)
Dit wapen is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op
artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie.
Bij bovengenoemd wapen werd munitie aangetroffen.
Soort: Randvuurmunitie
Merk: Remmington
Kaliber: .22 LR (Long Rifle)
Aantal: 4 stuks
De aangetroffen patronen is munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 gelet
op artikel 2 lid 2 categorie Pro III van de Wet wapens en munitie.
3.5.
Bewijsoverweging
Ten aanzien van feit 2 volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Daarbij leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
In de onderhavige tenlastelegging is als pleegplaats ’s-Gravenhage opgenomen, terwijl uit de bewijsmiddelen volgt dat het wapen in een woning in Vlaardingen is aangetroffen. Het ligt op de weg van de rechter om in de tekst van een tenlastelegging voorkomende misslagen te verbeteren, indien de verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad.
Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de pleegplaats in de tenlastelegging sprake van een kennelijke vergissing en is de verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Onderkend wordt dat de pleegplaats een kernbestanddeel van de tenlastelegging is en essentieel is met het oog op de informatiefunctie van de dagvaarding. In dit geval is echter duidelijk dat met de pleegplaats Vlaardingen moet zijn bedoeld. Zo heeft de verdachte het feit vanaf zijn verhoor bij de politie bekend. Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat procespartijen hetzelfde feitencomplex voor ogen hebben gehad bij het bespreken van de feiten en het voeren van de verdediging. Aan de informatiefunctie heeft de tenlastelegging in de onderliggende zaak daarom voldaan, ondanks de kennelijke vergissing die de pleegplaats betreft.
Uit de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte door een wijziging van de pleegplaats in de bewezenverklaring niet in zijn verdediging is geschaad.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
2
hij op 5 maart 2026 te
Vlaardingeneen wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwde alarmrevolver, van het merk BBM, type Olympic .38, kaliber .22 Long Rifle zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en (bijbehorende) munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vier stuks randvuurmunitie, van het merk Remmington, kaliber .22 Long Rifle voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een omgebouwde alarmrevolver en vier stuks munitie. Het voorhanden hebben van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich. Dat die risico’s zich realiseren blijkt uit de veelheid van geweldsincidenten waarbij vuurwapens zijn gebruikt en (dodelijke) slachtoffers moeten worden betreurd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat tegen het ongecontroleerde bezit van vuurwapens streng moet worden opgetreden.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf.
Persoon van de verdachte
Over de verdachte is geen reclasseringsadvies opgesteld. Ter zitting heeft de verdachte zijn persoonlijke omstandigheden toegelicht.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld een gevangenisstraf van vier maanden voor het voorhanden hebben van een revolver in een woning. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de verdachte naast het vuurwapen ook munitie voorhanden had. Daar komt bij dat de verdachte zich wel heel erg onverschillig heeft getoond ten aanzien van het onder zich houden van zulke voorwerpen in een slaapkamer van zijn woning. De strafdoelen van norminprenting en speciale preventie vergen derhalve dat een langere gevangenisstraf dan voormelde vier maanden passend is.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden passend en geboden.
Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] , bijgestaan door mr. J. Peters, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 18.238,19, en te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 16.988,19 aan materiële schade en € 1250,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de posten herstelkosten ( € 4392,66), de leasekosten ( € 595,53) en de immateriële schade ( € 1250,-). Verder concludeert zij tot een matiging van het bedrag dat is gevorderd ten aanzien van de huurauto ( € 4500,-) en tot afwijzing van het bedrag dat voor de cursuskosten is gevorderd ( € 7500,-). Voor het overige concludeert de officier van justitie tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij vanwege de bepleite vrijspraak, en subsidiair tot gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien
de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Proceskosten
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de
verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft
moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
26, 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
5 (VIJF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;
de vordering van de benadeelde partij [aangever]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.X. Cozijn, voorzitter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
mr. N. Hengeveld, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.