ECLI:NL:RBDHA:2026:18748
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na behandeling beroep
Verzoeker heeft tegen het besluit van 9 april 2026, waarbij zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen, beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Tegelijkertijd verzocht hij om een voorlopige voorziening te treffen om het bestreden besluit tijdelijk te schorsen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld zonder zitting, conform artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL26.20330), achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter S.S. van der Velde en griffier A.S. Hamans en is zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep reeds is behandeld.