ECLI:NL:RBDHA:2026:18774

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/09/700544 / FA RK 26-2076
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:253c BWArt. 1:253a lid 4 BWArt. 1:377e BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezag en zorgregeling minderjarige na verstoorde communicatie ouders

De ouders hebben gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind, met de hoofdverblijfplaats bij de moeder. De moeder verzoekt wijziging van de zorgregeling en beëindiging van het gezamenlijk gezag vanwege verstoorde communicatie en veiligheidszorgen. De vader verzet zich hiertegen en verzoekt nakoming van de bestaande zorgregeling.

De rechtbank oordeelt dat er wel sprake is van gewijzigde omstandigheden, omdat sinds eind januari 2026 geen contact meer is tussen vader en kind. Echter, de moeder slaagt er niet in voldoende aan te tonen dat het gezamenlijk gezag moet worden beëindigd, omdat er geen onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders.

De rechtbank wijzigt de zorgregeling in het belang van het kind, waarbij omgang met de vader om de week één dag in het weekend plaatsvindt onder toezicht van oma vaderzijde, met een opbouw naar langere verblijven. De omgang vindt niet in de woning van de vader plaats. De rechtbank wijst het verzoek tot oplegging van een dwangsom af en verwijst de ouders naar een hulpverleningstraject voor ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag af en wijzigt de zorgregeling in het belang van de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2076 (bodemprocedure)
FA RK 26-2179 (voorlopige voorziening)
Zaaknummer: C/09/700544 (bodemprocedure)
C/09/700751 (voorlopige voorziening)
Datum beschikking: 8 juni 2026

Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 25 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.Z. Peters te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Kocabas-Güler te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het gewijzigde verzoekschrift, tevens houdende een aanvullend verzoek van 18 maart 2026;
- het F9-formulier van 17 maart 2026 van de zijde van de moeder, met bijlage;
- het F9-formulier van 20 maart 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
- het F9-formulier van 29 april 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
- het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;
- het F9-formulier van 11 mei 2026 van de zijde van de moeder, met bijlage.
Op 11 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • De moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • De vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
- De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.
- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 6 februari 2025 is – voor zover hier van belang – bepaald dat het gezamenlijk gezag aan beide ouders toekomt, dat [minderjarige] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag zal ophalen uit school en de moeder [minderjarige] op zondag bij de vader zal ophalen.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt – voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad – en onder wijziging van de beschikking d.d. 6 februari 2025 en de tussen ouders eerder gemaakte afspraken welke zijn vastgelegd in het ouderschapsplan d.d. 2 april 2025:
- de eerder vastgestelde zorg-/omgangsregeling te wijzigen en te bepalen dat de vader en [minderjarige] voortaan één keer per week omgang hebben onder professionele begeleiding/
waarbij de dag en de tijden afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van de begeleiding/
althans een regeling die de rechtbank passend en juist acht, zo nodig onder vermelding
van strikte veiligheidseisen;
- haar alleen te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
- de kosten tussen partijen te compenseren;
- een onderzoek te gelasten door de Raad voor de Kinderbescherming om te adviseren over het gezag en de omgang tussen [minderjarige] en de vader;
Bij wijze van voorlopige voorziening:
- de eerder vastgestelde zorg-/omgangsregeling voorlopig te wijzigen en te bepalen dat de vader en [minderjarige] voortaan één keer per week omgang hebben onder professionele begeleiding, waarbij de dag en de tijden afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van de
begeleiding, althans een (voorlopige) regeling die de rechtbank passend en juist acht.
De vader voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de moeder te veroordelen tot nakoming van de bij beschikking van 6 februari 2025 vastgestelde zorgregeling, inhoudende dat [minderjarige] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur bij de vader verblijft, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat de moeder na betekening van de in dezen te wijzen beschikking in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000, -;
- althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht.

Beoordeling

Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp dat in de voorlopige voorzieningenprocedure voorligt, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de zorgregeling/omgangsregeling afwijzen bij gebrek aan belang.
Onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming
De moeder verzoekt om de Raad onderzoek te laten doen en de rechtbank te adviseren over het gezag, de omgang en naar de zorgen omtrent [minderjarige] . De moeder acht het van groot belang dat ook voor de langere termijn wordt bekeken wat voor [minderjarige] veilig, haalbaar en in zijn belang is ten aanzien van het contact met zijn vader.
De vader refereert zich op dit punt aan het oordeel van de rechtbank. De vader heeft daarbij naar voren gebracht dat hij in de tussentijd dan wel een hervatting van de omgang nodig acht. Dit desnoods onder begeleiding of met toezicht van oma vaderzijde of betrokken hulpverleners.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een Raadsonderzoek te gelasten. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten om zich zorgen te maken over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader. Uit de verslagen van de kindgesprekken met de hulpverlening blijkt ook niet dat hij om een of andere reden niet naar zijn vader toe wil. De rechtbank acht zich op grond van de stukken en de zitting voldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen in het belang van [minderjarige] .
Gezag
Juridisch kader
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag, bedoeld in de artikelen 251, tweede lid, 251b, eerste lid, 252 eerste lid, 253q vijfde lid, of 277, eerste lid, BW beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n, tweede lid, BW is artikel 1:251a, eerste en derde lid, BW van overeenkomstige toepassing.
De rechtbank stelt vast dat de beslissing van deze rechtbank van 6 februari 2025, waarbij het gezamenlijk gezag aan beide ouders is opgedragen, is gebaseerd op artikel 1:253c BW. De mogelijkheid om het op grond van artikel 1:253c BW tot stand gekomen gezamenlijk gezag te beëindigen wordt niet genoemd in artikel 1:253n BW en artikel 1:253n BW is in artikel 1:253c BW evenmin van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit zou tot de conclusie leiden dat er geen wettelijke grondslag is voor het verzoek.
De rechtbank is echter van oordeel dat een redelijke wetsuitleg met zich brengt dat de wijzigingsmogelijkheid van artikel 1:253n BW bij gebrek aan een voorziening ook dient te gelden ingeval het gezamenlijk gezag is opgedragen op grond van artikel 1:253c BW. De rechtbank zal artikel 1:253n BW dan ook analoog toepassen.
Het wettelijk uitgangspunt is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Volgens artikel 1:253n lid 1 van het (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van lid 2 van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a lid 1 BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan daarom worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Ontvankelijkheid
Het is de rechtbank gebleken dat er sinds eind januari 2026 geen contact meer is tussen de vader en [minderjarige] , waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder verzoekt haar alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten. Volgens de moeder is de situatie sinds de beschikking van 6 februari 2025 en het opstellen van het ouderschapsplan gewijzigd. Zij stelt dat sprake is van een verslechtering van de communicatie en niet van een verbetering, waar de rechtbank bij de beschikking van 6 februari 2025 van uit ging. Volgens de moeder zijn er veiligheidsincidenten geweest, heeft de vader hij afspraken niet nageleefd en de noodzakelijke hulpverlening geblokkeerd. Ook zijn er ernstige zorgen over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] . Volgens de moeder ontbreekt de minimale basis voor het hebben van gezamenlijk gezag. Er is geen sprake van samenwerking of overleg tussen de ouders. Het gezamenlijk gezag leidt tot het risico dat [minderjarige] klem en verloren raakt tussen de ouders. Het traject bij [hulpverlener] loopt erg moeizaam omdat vader geen toestemming verleent voor de benodigde zorg voor [minderjarige] zoals traumabehandeling. Volgens de moeder wordt voldaan aan beide criteria uit artikel 1:253c BW, zodat zij verzoekt haar alleen te belasten met het gezag over [minderjarige] .
De vader voert verweer tegen het verzoek van de moeder. Hij stelt dat het gezamenlijk gezag nog maar recent is toegewezen, namelijk op 6 februari 2025. Daarbij is overwogen dat de moeder onvoldoende had onderbouwd dat aan de strenge voorwaarden voor afwijzing was voldaan. Er is geen risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders. De vader heeft geen gezagsbeslissingen tegengehouden. Hij heeft meer informatie nodig over de traumabehandeling bij [hulpverlener] voor hij daarmee in kan stemmen. Dit wegens zijn eigen ervaringen met traumabehandeling. De vader is er bang voor buiten beeld te raken als de moeder alleen met het gezag wordt belast. Temeer omdat op dit moment de omgang tussen hem en zijn zoon door de moeder is stopgezet. De vader stelt dat de moeder eenzijdig de communicatie en samenwerking onmogelijk maakt door de zorgregeling op te schorten, steeds nieuwe voorwaarden te stellen en hem de toegang tot [minderjarige] te ontzeggen.
De rechtbank constateert dat de communicatie tussen de ouders en het onderlinge vertrouwen is verstoord, maar dat los daarvan geen feiten of omstandigheden zijn vast komen te staan waaruit de rechtbank opmaakt dat gezamenlijke gezagsuitoefening tot situaties leidt waarin [minderjarige] klem of verloren raakt of anderszins in zijn belangen wordt geschaad. De door de moeder gestelde aantijgingen richting de vader dat hij niet mee werkt aan gezagsbeslissingen, onder andere ten aanzien van het traject van [minderjarige] bij [hulpverlener] , is niet onderbouwd met stukken. De rechtbank ziet op dit moment geen grond om de moeder alleen met het gezag over [minderjarige] te belasten. Gezamenlijk gezag is immers het uitgangspunt van de wetgever. Slechts als sprake is van één van de in artikel 1:253c BW genoemde voorwaarden, kan het gezamenlijke gezag worden beëindigd. Aan deze strenge voorwaarden is niet voldaan. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de moeder om haar alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten, afwijzen. Nu beide ouders met het gezag belast blijven, zal de rechtbank hierna spreken van een zorgregeling in plaats van een omgangsregeling.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a vierde lid in samenhang met artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) onder meer wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder verzoekt om een wijziging van zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 6 februari 2025 en de tussen ouders eerder gemaakte afspraken welke zijn vastgelegd in het ouderschapsplan van 2 april 2025. Zij stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vader verzoekt om nakoming van de vastgestelde zorgregeling door de moeder, op straffe van een dwangsom.
Uit de stukken en dat wat op de zitting met de ouders is besproken, is de rechtbank gebleken dat [minderjarige] sinds eind januari 2026 zijn vader niet meer ziet. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij zo snel mogelijk weer contact heeft met zijn vader. Zij hebben elkaar sinds eind januari 2026 niet meer gezien. Anders dan de Raad, is de rechtbank van oordeel dat een herstelgesprek door een professional niet afgewacht kan worden in het belang van [minderjarige] . De zorgregeling dient zo snel mogelijk weer aan te vangen. Als uitgangspunt geldt dat de zorgregeling die partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen moet worden nageleefd. Dit kan echter anders zijn indien nadien feiten zijn voorgevallen die maken dat die zorgregeling niet langer in het belang van de minderjarige moet worden geacht. De rechtbank acht een aangepaste zorgregeling in het belang van [minderjarige] . Het verzoek van de vader tot nakoming van de zorgregeling, zoals bij beschikking van 6 februari 2025 vastgesteld, wordt dan ook afgewezen.
De rechtbank acht de volgende zorgregeling in het belang van [minderjarige] , waarbij [minderjarige] bij zijn vader is, vanaf de datum beschikking:
  • om de week één dag in het weekend van 09:00 uur tot 17:00 uur, te beginnen op 13 juni 2026;
  • als dat twee keer goed is verlopen komt daar een aansluitende overnachting bij, tot de volgende ochtend 10:00;
  • als dat twee keer goed is verlopen, dan is [minderjarige] het hele weekend, om de week, bij zijn vader conform de regeling in het ouderschapsplan;
  • de vader zal [minderjarige] ophalen bij de moeder en/of bij school en de moeder zal [minderjarige] vervolgens bij de vader ophalen;
  • de omgang vindt steeds uitsluitend plaats bij oma vaderzijde thuis en dus niet in de woning van de vader;
  • de eerste vier (4) keer dient oma vaderszijde permanent aanwezig te zijn. Dit betekent dat zij ook steeds de vader en [minderjarige] buitenshuis moet vergezellen;
  • Eventuele verdere uitbreiding of aanpassing van de regeling wordt afgestemd tussen de ouders met behulp van de betrokken hulpverlening.
Het spreekt voor zich dat hierbij de veiligheidsvoorwaarden en afspraken, zoals genoemd in de brief van Veilig Thuis van 20 maart 2026, nageleefd dienen te worden. Dit ziet zowel op de eerdere veiligheidsvoorwaarden als de nieuwe toegevoegde veiligheidsvoorwaarden en de gemaakte afspraken.
Niet opleggen dwangsom
Het verzoek van de vader om de moeder een dwangsom op te leggen indien zij de zorgregeling niet nakomt, wordt door de rechtbank afgewezen. Met een dergelijke maatregel dient terughoudend te worden omgegaan en de rechtbank gaat ervan uit dat de moeder zich aan de gewijzigde zorgregeling zal houden. Er bestaat daarom geen aanleiding tot het opleggen van een dwangsom.
Doorverwijzing UHA
De rechtbank is gebleken dat de communicatie tussen partijen beter kan en dat het onderlinge vertrouwen, met name dat van de moeder in de vader, is beschadigd. De rechtbank heeft met partijen op de zitting besproken deel te nemen aan een ouderschapsbemiddelingstraject en omgangsbegeleiding. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding. De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.
De omgangsbegeleiding dient niet afgewacht te worden voor het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat dit zo snel mogelijk dient aan te vangen en omgangsbegeleiding kent een lange wachttijd. De rechtbank geeft de ouders mee dat het hen uiteraard vrij staat om samen met [minderjarige] - op neutraal terrein - een herstelgesprek te voeren. De omgangsbegeleiding kan er, ook na het contactherstel, aan bijdragen dat de moeder meer vertrouwen krijgt in de vader en de vader handvatten krijgt in zijn contact met en opvoedvaardigheden richting [minderjarige] . Tot slot geeft de rechtbank de vader nog mee dat het zoeken van hulpverlening via De Waag voor zijn emotieregulatie de ouders kan helpen in het krijgen van beter contact en meer vertrouwen over en weer.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

BeslissingDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank d.d. 6 februari 2025 –:

stelt vast dat de ouders, te weten:
[de moeder] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de vader] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
- Kenniscentrum Kind en Scheiding, [adres] ;
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject.
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] bij zijn vader is:
  • om de week één dag in het weekend van 09:00 uur tot 17:00 uur, te beginnen op 13 juni 2026;
  • als dat twee keer goed is verlopen komt daar een aansluitende overnachting bij, tot de volgende ochtend 10:00;
  • als dat twee keer goed is verlopen, dan is [minderjarige] het hele weekend, om de week, bij zijn vader conform de regeling in het ouderschapsplan;
  • de vader zal [minderjarige] ophalen bij de moeder en/of bij school en de moeder zal [minderjarige] vervolgens bij de vader ophalen;
  • de omgang vindt steeds uitsluitend plaats bij oma vaderzijde thuis en dus niet in de woning van de vader;
  • de eerste vier (4) keer dient oma vaderszijde permanent aanwezig te zijn. Dit betekent dat zij ook steeds de vader en [minderjarige] buitenshuis moet vergezellen;
  • Eventuele verdere uitbreiding of aanpassing van de regeling wordt afgestemd tussen de ouders met behulp van de betrokken hulpverlening.
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
*
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juni 2026.