ECLI:NL:RBDHA:2026:18794

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/09/706017 / JE RK 26-926
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BWArt. 807 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige kinderen wegens vermoedelijke mishandeling en bedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt om voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2010 en 2014, vanwege ernstige vermoedens van mishandeling en bedreiging door hun vader. De kinderen zijn op 28 mei 2026 weggelopen en hebben verklaard dat zij mishandeld en bedreigd worden, onder andere met de dood. De vader is in verband met aangiften aangehouden en zit in voorlopige hechtenis.

De moeder betwist de onveiligheid en stelt dat de kinderen veilig bij haar kunnen verblijven, terwijl de vader ontkent de kinderen te hebben mishandeld en benadrukt het beste met hen voor te hebben. De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en bevestigt dat de kinderen angstig zijn en niet terug willen naar huis of familie.

De kinderrechter oordeelt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de kinderen acuut en ernstig wordt bedreigd en dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Ook acht de rechter uithuisplaatsing in een veilige accommodatie noodzakelijk, omdat de ouders de zorgen niet erkennen en de kinderen zich niet veilig voelen. De beschikking tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend voor de duur van drie maanden, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad.

De beslissing is genomen na een zitting met gesloten deuren waarbij de kinderen via videoverbinding hun mening konden geven, welke vertrouwelijk is gebleven. De beschikking is op 8 juni 2026 uitgesproken en op 19 juni 2026 schriftelijk vastgelegd. Tegen de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk, tegen de voorlopige ondertoezichtstelling niet.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige kinderen voorlopig onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing wegens ernstige bedreiging van hun veiligheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/706017 / JE RK 26-926
Datum uitspraak: 8 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
- [de minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] , [land] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
- [de minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2] , [land] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
hierna tezamen ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J. Looman uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wondende in [woonplaats 2] ,
thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting (PI) te [plaats] ,
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 mei 2026 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met spoed tot 12 juni 2026 voorlopig onder toezicht gesteld en een machtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot diezelfde datum. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot de zitting van 8 juni 2026 (zie hierna).
1.2.
De kinderrechter neemt nu ook de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 29 mei 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] namens de Raad;
  • de moeder, bijgestaan door een tolk in de Syrische taal; ;
  • de advocaat van de moeder;
  • de vader, ook bijgestaan door genoemde tolk;
- [naam 2] en [naam 3] namens de gecertificeerde instelling.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening over het verzoek gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben – via een videoverbinding – een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Op verzoek van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] heeft de kinderrechter op de zitting niet gedeeld wat zij hebben verteld.

2.De feiten

2.1.
Voor een overzicht van de feiten verwijst de kinderrechter naar de hiervoor genoemde beschikking van 29 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Op 28 mei 2026 zijn beide kinderen weggelopen van huis en hebben verteld dat zij door de vader, die kennelijk nog regelmatig bij de moeder verblijft/langskomt, worden mishandeld en bedreigd (onder andere met de dood). De meerderjarige zus van de kinderen heeft recent een soortgelijk verhaal verteld en [de minderjarige 1] heeft te kennen gegeven van het geweld richting deze zus getuige te zijn geweest. Genoemde zus, die niet meer bij de moeder verblijft, heeft aangifte gedaan. De vader is, in verband met de aangifte van de zus van de kinderen en de gebeurtenissen van 28 mei 2026, aangehouden en zit momenteel in voorlopige hechtenis. Inmiddels hebben [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ook aangifte gedaan tegen de vader. Het vermoeden bestaat dat de vader het lastig vindt dat de kinderen zich aanpassen aan de westerse cultuur. Het is noodzakelijk dat er een voorlopige ondertoezichtstelling wordt uitgesproken en een jeugdbeschermer bij het gezin betrokken raakt. Een jeugdbeschermer kan in het belang van de kinderen handelen. Er moet zicht komen op de veiligheid van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de aandacht moet ook uitgaan naar de veiligheid van de overige gezinsleden, te weten de twee andere kinderen die bij de moeder wonen en de twee kinderen die de vader heeft met zijn nieuwe partner (die zwanger is). Deze kinderen zullen daarom ook worden meegenomen in het onderzoek dat de Raad wil gaan uitvoeren. Daarnaast moet onderzocht worden welke hulpverlening er nodig is om de veiligheid van de kinderen in de opvoedsituatie bij de moeder te waarborgen; de moeder kan [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nu niet de bescherming bieden die zij nodig hebben. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben aangeven op dit moment extreem bang te zijn en zich niet veilig genoeg te voelen om terug te keren naar de moeder. Naar familie willen zij evenmin omdat zij, zo zeggen zij, daar ook niet veilig zijn. Omdat de ouders de zorgen niet erkennen, is het belangrijk dat de kinderen op een veilige plek verblijven waar zij tot rust kunnen komen. De ouders geven echter geen toestemming voor een plaatsing van de kinderen op een neutrale plek. Een machtiging tot uithuisplaatsing is daarom ook noodzakelijk.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat het voor de kinderen veilig is bij de moeder en zij zo snel mogelijk weer thuis moeten worden geplaatst. Om aan te tonen dat de thuissituatie veilig is voor de kinderen en om thuisplaatsing te realiseren, is de moeder bereid om aan alle noodzakelijke geachte hulpverlening mee te werken en eventueel zelfs ergens anders te gaan verblijven, samen met de kinderen.
4.2.
De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzochte. De vader betwist dat hij de kinderen heeft mishandeld en bedreigd. Hij is regelmatig bij de moeder om de kinderen te zien. Hij benadrukt dat hij het beste voor heeft met de kinderen en dat hij hen vanuit Syrië naar Nederland heeft gebracht om hen perspectief te bieden op een goede toekomst.
4.3.
Desgevraagd heeft de gecertificeerde instelling de zorgen en het verzoek van de Raad onderschreven. Ook aan de al betrokken jeugdbeschermer hebben de kinderen verteld dat zij heel angstig zijn, ook voor het netwerk van de vader, en zij niet terug willen naar de moeder. Op dit moment verblijven de kinderen op een geheime locatie, in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, en de komende periode kunnen zij daar blijven.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dat zij uit huis worden geplaatst. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Er zijn door het weglopen van de kinderen en hun verhalen over de uitlatingen en het gedrag van de vader, die nog regelmatig bij de moeder is/langskomt, grote zorgen over de veiligheid van de kinderen in de opvoedsituatie bij de moeder. De ouders erkennen de zorgen niet. De kinderrechter merkt in dit verband op dat ook als de kinderen niet (geheel) de waarheid zouden spreken, zoals de vader stelt, er ook sprake is van een zorgelijke situatie; de vraag rijst dan waarom zij dergelijke uitspraken doen. Het is, gelet hierop, van belang dat een jeugdbeschermer bij de kinderen betrokken blijft en er door de Raad onderzoek wordt gedaan naar de ontstane zorgen en de veiligheid van de kinderen thuis bij de moeder. De kinderrechter onderschrijft het belang van uitbreiding van dat onderzoek naar de twee anderen kinderen die bij de moeder wonen en de twee kinderen van de vader en zijn nieuwe partner. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben meerdere keren en aan verschillende personen verteld niet terug te willen keren naar huis omdat zij zich daar niet veilig en niet voldoende beschermd voelen en om diezelfde reden ook niet bij familie willen gaan verblijven. Voor nu is het van belang dat de kinderen tot rust kunnen komen in een voor hen veilige omgeving, waar zij zich (weer) kunnen richten op hun ontwikkeling. Er is onvoldoende zicht op de opvoedsituatie bij de moeder om een terugkeer van de kinderen bij haar nu verantwoord en veilig te achten. Het verblijf van de kinderen in de huidige accommodatie moet daarom worden voortgezet. De komende periode moet worden onderzocht wat er voor nodig is om de kinderen weer naar huis terug te kunnen laten keren.
5.3.
Gelet op het voorgaande stelt de kinderrechter [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht tot 29 augustus 2026. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot diezelfde datum.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 12 juni 2026 tot 29 augustus 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 12 juni 2026 tot 29 augustus 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door
mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van L. van der Gaag als griffier, en op schrift gesteld op 19 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open. [3]

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).