ECLI:NL:RBDHA:2026:18797

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/09/706093 / JE RK 26-931
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens blijvende zorgen en gebrek aan dagbesteding

De gecertificeerde instelling verzoekt om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds december 2025 onder toezicht is gesteld. De minderjarige verblijft in een jeugdhulpaccommodatie en vertoont problematisch gedrag, waaronder het niet vasthouden aan dagbesteding, blowen en het omdraaien van zijn dag- en nachtritme.

Tijdens de zitting, waarbij de moeder aanwezig was met een tolk, is gebleken dat de moeder instemt met de verlenging maar zorgen heeft over de begeleiding en het middelengebruik van haar kind. De kinderrechter heeft de minderjarige gehoord en de situatie zorgvuldig afgewogen.

De kinderrechter oordeelt dat de verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De zorgen zijn onverminderd aanwezig en terugkeer naar huis is op dit moment niet verantwoord. De machtiging wordt verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling op 10 december 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling op 10 december 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/706093 / JE RK 26-931
Datum uitspraak: 8 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door een tolk Spaans;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [instelling] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 december 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 10 december 2026 en een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 10 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt toegelicht. De situatie van [minderjarige] is onveranderd en de eerder vastgestelde zorgen over zijn ontwikkeling, gedrag en motivatie zijn nog steeds aanwezig. Het lukt hem niet om een vorm van dagbesteding te starten en vast te houden en hij is niet transparant over zijn dagbesteding. Dit belemmert het bieden van passende ondersteuning. [minderjarige] heeft ook geen motivatie om te stoppen met blowen of hulpverlening daarvoor te accepteren. Wanneer hij betrapt wordt op roken op de groep krijgt hij een time-out op een andere groep, maar dat lijkt weinig effect op hem te hebben. Ook houdt hij zich niet aan de gemaakte afspraken op de groep en heeft hij zijn dag- en nachtritme omgedraaid. Verder heeft [minderjarige] veel boetes wegens zwart rijden en zijn schulden lopen op. [minderjarige] gaat starten met werken bij een verhuisbedrijf wat hem hopelijk meer structuur zal bieden. Zijn coach van [instelling] heeft regelmatig contact met hem en zal hem daar zo veel mogelijk in begeleiden. Indien het [minderjarige] opnieuw niet lukt om een vorm van dagbesteding vast te houden kan hij niet op de huidige groep blijven, maar dat lijkt onvoldoende tot hem door te dringen. [minderjarige] kan niet thuis wonen bij de moeder. Het lukt haar niet om duurzaam aan te sluiten bij de situatie van [minderjarige] . Zij en haar netwerk ervaren geen ruimte om [minderjarige] te ondersteunen. Het lijkt erop dat de moeder zich genoodzaakt ziet om haar andere kinderen te beschermen tegen het als belastend ervaren gedrag van [minderjarige] , waardoor de moeder zich verder van hem distantieert.

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft naar voren gebracht dat ze instemt met verlenging van de uithuisplaatsing omdat [minderjarige] op dit moment niet terug naar de moeder kan. Daarbij vraagt de moeder zich wel af of [instelling] de beste plek voor hem is. De moeder maakt zich zorgen over het blowen van [minderjarige] en dat hij de hele dag niets doet. De moeder wil dat hij hulpverlening krijgt voor zijn verslaving en vindt dat hij meer begeleid en begrensd moet worden bij [instelling] .

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De zorgen over [minderjarige] zoals hiervoor benoemd door de gecertificeerde instelling zijn nog steeds aanwezig. Hij heeft weinig contact met zijn moeder en er zijn zorgen dat hij met zijn gedrag een negatieve invloed zal hebben op de rest van het gezin. Hierdoor kan [minderjarige] op dit moment nog niet terug naar huis. [minderjarige] is bijna volwassen. Het is van belang dat [minderjarige] de komende periode gaat werken aan zijn zelfstandigheid en het nemen van verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven, ook om zijn huidige plek bij [instelling] te kunnen behouden en door te kunnen stromen naar een 16+ groep, zoals hij zelf graag wenst. Het is van belang dat hij zijn dagbesteding (werk bij een verhuisbedrijf) weet te behouden. Ook moeten gesprekken gevoerd blijven worden over zijn middelengebruik en zijn financiële situatie. Gelet op de stappen die nog gezet moeten worden zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling, te weten tot 10 december 2026.
5.2.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 10 december 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.