ECLI:NL:RBDHA:2026:18801

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/09/704974 / JE RK 26-807
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens problematisch gedrag en zorgbehoefte

De gecertificeerde instelling verzoekt om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, die sinds februari 2026 verblijft bij een jeugdhulpaanbieder. De minderjarige vertoont problematisch gedrag, waaronder blowen, onregelmatige schoolgang en agressie, waardoor terugkeer naar huis niet verantwoord wordt geacht.

De moeder stemt in met de verlenging, maar uit zorgen over de begeleiding en ondersteuning bij de jeugdhulpaanbieder. Ook de oma deelt deze zorgen, met name over het netwerk van de minderjarige en zijn schoolverzuim. De minderjarige zelf geeft geen mening tijdens de zitting.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Er wordt benadrukt dat de minderjarige moet meewerken aan een psychotherapeutisch traject om inzicht te krijgen in zijn mogelijkheden en behoeften. De machtiging wordt verlengd tot 26 september 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 26 september 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/704974 / JE RK 26-807
Datum uitspraak: 8 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Gouda,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. B.J. de Bruijn uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de oma],
hierna te noemen: de oma,
wonende in Dordrecht.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 mei 2026;
- het bericht van de oma met bijlagen van 2 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
  • [naam 1] namens de gecertificeerde instelling;
  • de oma.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is erkend door [naam 2] .
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] verblijft bij [jeugdhulpaanbieder] .
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 26 september 2026 en een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt toegelicht. [de minderjarige] is in februari vanuit een crisisplek bij [jeugdhulpaanbieder] geplaatst. Er zijn beperkt plekken beschikbaar voor jongeren met de problematiek van [de minderjarige] en op dit moment is het de meest passende plek voor hem. Als [de minderjarige] bij [jeugdhulpaanbieder] een positieve ontwikkeling laat zien, zijn er ook doorgroeimogelijkheden naar zelfstandigheid, maar dat is op dit moment nog niet haalbaar. Er zijn duidelijke afspraken gemaakt en [de minderjarige] heeft één op één begeleiding die hem helpt met boodschappen doen, zelfzorg en schoolgang. [de minderjarige] laat zelfbepalend gedrag zien ten aanzien van zijn schoolgang, maar zijn resultaten zijn wel goed. Er zijn mogelijkheden om hem extra te ondersteunen op school, maar daar moet [de minderjarige] wel gemotiveerd voor zijn. Hij kan pittig gedrag laten zien en het lukt hem niet altijd om op tijd te komen. Er hebben gesprekken met Leerplicht plaatsgevonden en er wordt gekeken of een Halt traject ingezet zal worden. Voor [de minderjarige] moet duidelijk worden dat school verplicht is en hij daar geen vrije keuze in heeft. Een andere zorg is dat [de minderjarige] veel blowt. Hij ontkent dat sprake is van een vorm van verslaving en is daardoor ook niet gemotiveerd voor hulpverlening. De jeugdbeschermer blijft daar wel het gesprek over aangaan met [de minderjarige] . Onlangs is de psychotherapeutische therapie bij de Viersprong gestart waar ook een persoonlijkheidsonderzoek en IQ test zal worden gedaan. Er is tot nu toe één gesprek geweest met [de minderjarige] . Ook de moeder en de oma zullen betrokken worden in dat proces. [de minderjarige] heeft eerder aangegeven dat hij gemotiveerd was voor dit onderzoek omdat hij daarmee ook meer inzicht zou krijgen, maar hij lijkt nu toch wat terug te krabbelen. Elke zes weken is er een evaluatie met [jeugdhulpaanbieder] . Op dit moment wordt er vooral gefocust op de kleine positieve stappen die hij heeft gezet. Hij blijft in contact met de begeleiding en stelt zich begeleidbaar op. Komende periode moet verder gekeken worden of dit de beste plek is voor [de minderjarige] en hoe het eventueel beter kan bij [jeugdhulpaanbieder] .

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij instemt met verlenging van de uithuisplaatsing omdat [de minderjarige] wegens zijn agressie niet thuis kan wonen. Wel stelt de moeder dat zij [jeugdhulpaanbieder] geen goede plek vindt voor [de minderjarige] . In de avonden is er regelmatig geen begeleiding op de groep aanwezig en [de minderjarige] wordt onvoldoende ondersteund in het doen van boodschappen en zelfstandig koken. Verder heeft de moeder zorgen over het blowen en de schoolgang van [de minderjarige] . Daarbij is hij nog steeds niet ingeschreven voor een opleiding. De advocaat heeft naar voren gebracht dat [de minderjarige] veel ruimte krijgt bij [jeugdhulpaanbieder] terwijl er juist zorgen zijn over zijn netwerk en zelfbepalende gedrag. Er is op dit moment geen concreet plan wat [de minderjarige] nodig heeft en welke hulpverlening er zal worden ingezet.
4.2.
De oma onderschrijft de zorgen van de moeder over [de minderjarige] . De oma maakt zich zorgen over de schoolgang van [de minderjarige] en de oudere jongens met wie hij omgaat. [de minderjarige] komt regelmatig ’s avonds laat pas terug op de groep en er is onvoldoende begrenzing en ondersteuning vanuit [jeugdhulpaanbieder] . Het is belangrijk dat [de minderjarige] meewerkt aan het onderzoek bij de Viersprong opdat duidelijk wordt wat hij aan kan en wat er nodig is.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter onderschrijft problematiek van [de minderjarige] en de zorgen over hem, zoals door de gecertificeerde instelling naar voren is gebracht. De zorgen zien met name op het zelfbepalende gedrag dat hij kan laten zien, het middelengebruik, de schoolgang van [de minderjarige] en het (negatieve) netwerk van [de minderjarige] . [de minderjarige] kan hierdoor op dit moment nog niet terug naar de moeder of de oma. Een uithuisplaatsing is daarom nog nodig. Het is positief dat [de minderjarige] zich thuis lijkt te voelen bij [jeugdhulpaanbieder] , niet wegloopt en goed in contact is met de begeleiding, maar hij lijkt ook overvraagd te worden in de vrijheden en verantwoordelijkheden die hij daar krijgt. De komende periode zal verder gekeken moeten worden wat [de minderjarige] nodig heeft en hoe gewerkt kan worden aan de zorgen over zijn gedrag, die ook al voor zijn plaatsing bij [jeugdhulpaanbieder] aanwezig waren. Daarbij is het van belang dat [de minderjarige] meewerkt aan het traject bij de Viersprong opdat er meer inzicht komt in wat hij aankan en nodig heeft. Gelet op de stappen die nog gezet moeten worden zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling, te weten tot 26 september 2026.
5.2.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 18 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.