ECLI:NL:RBDHA:2026:18802

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/09/702091 / JE RK 26-502
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige kinderen

De rechtbank Den Haag behandelde op 8 juni 2026 het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen. De kinderen verblijven sinds augustus 2025 in een pleeggezin vanwege een onveilige en instabiele thuissituatie. De ouders zijn onvoldoende in staat gebleken om een stabiele opvoedsituatie te bieden, ondanks ingezette hulpverlening.

De moeder en vader voerden geen verweer tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij stelden dat een thuisplaatsing op korte termijn mogelijk moet zijn en verzochten om een kortere duur van de machtiging. De pleegouders onderschreven de zorgen over het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer en het gebrek aan uitbreiding van omgangsmomenten.

De kinderrechter oordeelde dat verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar passend is vanwege de noodzaak van regievoering door een jeugdbeschermer. De machtiging tot uithuisplaatsing werd verlengd voor drie maanden, korter dan verzocht, om de stabiliteit en veiligheid van de kinderen te waarborgen. De verdere behandeling van het verzoek werd aangehouden, met de verplichting tot schriftelijke updates over de voortgang van de hulpverlening. De beschikking is direct uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling tot mei 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot september 2026, met een kortere duur dan verzocht, en houdt de verdere behandeling aan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/702091 / JE RK 26-502
Datum uitspraak: 8 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek om verlenging van een ondertoezichtstelling en verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
- [de minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
- [de minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
hierna tezamen ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. E.G.S.N. Asselbergs uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. L. Rijsdam uit Leiden,
[de pleegouder 1] en [de pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
beiden wonende te [woonplaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 7 mei 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank is – buiten zitting en met instemming van de belanghebbenden – de ondertoezichtstelling en de machtiging om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit thuis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 9 juni 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot de zitting van 8 juni 2026 (zie hierna).
1.2.
De kinderrechter neemt nu ook de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 7 mei 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.3.
Op 8 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- [naam] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
  • de pleegouders.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening over het verzoek gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben afzonderlijk van elkaar een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben verteld.

2.De feiten

2.1.
Voor een overzicht van de feiten verwijst de kinderrechter naar de hiervoor genoemde beschikking van 7 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De kinderen hebben in het verleden veel onrust ervaren en het lukte onvoldoende om structurele hulpverlening in te zetten omdat de ouders hier slechts kortdurend voor gemotiveerd waren. De afgelopen periode is voor de moeder hulpverlening vanuit Introspekt en de praktijkondersteuner van de huisarts ingezet. Het lukt de moeder echter nog onvoldoende om zich blijvend aan de gemaakte afspraken te houden. Ook lukt het de moeder nog onvoldoende om te herkennen en erkennen wat er in de opvoedsituatie nog ontbreekt. Dit maakt dat er momenteel nog niet genoeg verandering zichtbaar is in de vaardigheden en de thuissituatie van de moeder. De vader heeft de afgelopen periode stappen gezet in zijn persoonlijk traject, maar dit vraagt van hem veel focus en energie. Het lukt beide ouders op dit moment dus nog onvoldoende om een stabiele opvoedsituatie aan de kinderen te bieden en aan te sluiten bij hun behoeften en ontwikkeling. Voor de kinderen is er in de afgelopen periode individuele hulpverlening bij iHub ingezet. [de minderjarige 2] volgt speltherapie en [de minderjarige 1] schrijftherapie en ‘exposure’. Deze hulpverlening verloopt goed. Om de ouders te blijven motiveren om aan de slag te gaan met hun persoonlijke problematiek, is regievoering van een jeugdbeschermer en daarmee verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. Op dit moment zijn de zorgen over de opvoedsituatie bij beide ouders nog onvoldoende afgenomen voor een thuisplaatsing van de kinderen. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is daarom eveneens noodzakelijk, eventueel voor een kortere duur dan verzocht. Binnen het pleeggezin wordt aan de kinderen een stabiele en veilige opvoedsituatie geboden. Het contact tussen de ouders en de pleegouders verloopt over het algemeen op een prettige manier, maar in de communicatie ontstaat soms onenigheid en hierdoor kunnen emoties hoog oplopen. De kinderen hebben hier stress van omdat zij gevoelens van loyaliteit ervaren richting de ouders en de pleegouders. Daarnaast ervaren de kinderen (en de ouders) op dit moment nog veel onduidelijkheid over hun perspectief. Dit komt onder andere doordat de vaste jeugdbeschermer van het gezin is uitgevallen. Het is daarom belangrijk dat hier de komende periode meer duidelijkheid over komt, mede door de omgang tussen de kinderen en de ouders uit te breiden.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder voert echter wel verweer tegen een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Hoewel de moeder erkent dat een thuisplaatsing van de kinderen bij haar op dit moment nog niet mogelijk is, is dit op korte termijn wel haalbaar. Vanuit de gecertificeerde instelling is de afgelopen periode niets gedaan vanwege het uitvallen van de vaste jeugdbeschermer. De hulpverlening vanuit Introspekt loopt inmiddels goed en deze hulpverlening biedt de moeder brede ondersteuning, waaronder op financieel gebied. De hulpverlener van Introspekt heeft een verslag van het hulpverleningstraject naar de gecertificeerde instelling gestuurd, maar dit verslag is blijven liggen. De hulpverlening van de praktijkondersteuner van de huisarts is – anders dan de hulpverlening vanuit Introspekt – niet voldoende toereikend en de moeder is daarom met deze hulpverlening gestopt. Op dit moment worden er nog enkele werkzaamheden in de woning van de moeder uitgevoerd, zodat de woning binnenkort gereed is voor thuisplaatsing van de kinderen. De samenwerking en communicatie met de vader verloopt inmiddels goed. Samen met de vader heeft de moeder om het weekend een omgangsmoment met de kinderen en dit gaat goed. De kinderen zijn echter tot op heden nog maar eenmaal bij haar thuis geweest. Dit was begin april 2026. Na de zomervakantie gaat [de minderjarige 1] naar de middelbare school en ook daarom is het belangrijk dat er op korte termijn stappen worden gezet door de gecertificeerde instelling. Ook de omgang – met begeleiding van een jeugdbeschermer – moet worden uitgebreid, zodat de kinderen na de zomervakantie bij de moeder thuisgeplaatst kunnen worden en [de minderjarige 1] kan starten op een middelbare school bij haar woning in de buurt. De moeder verzoekt daarom om de machtiging tot uithuisplaatsing in de duur te bekorten en de behandeling van het verzoek voor het overige af te wijzen.
4.2.
Door en namens de vader is geen verweer gevoerd tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling, maar wel verweer tegen een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Hoewel de vader zijn leven inmiddels weer grotendeels op de rit heeft, beschikt hij nog niet over een eigen woning. De vader hoopt dat hier op korte termijn verandering in komt, zodat er uiteindelijk toegewerkt kan worden naar co-ouderschap met de moeder. De samenwerking met de moeder is goed. Er moet snel zicht komen op de opvoedsituatie bij de moeder. De vader uit grote zorgen over de huidige situatie. Er worden op dit moment geen stappen gezet richting een thuisplaatsing van de kinderen door het uitvallen van de vaste jeugdbeschermer. Dit is in het verleden ook al eens gebeurd en ook toen zijn er een tijd geen stappen gezet. Om een vinger aan de pols te houden en te monitoren of de gecertificeerde instelling de benodigde stappen in de komende periode wél zet, verzoekt de vader om de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing te bekorten en de behandeling van het verzoek voor het overige aan te houden.
4.3.
De pleegouders onderschrijven de zorgen van de ouders over de huidige situatie. Doordat er geen vaste jeugdbeschermer betrokken is, wordt de omgang tussen de kinderen en de ouders niet uitgebreid. Tijdens de zitting in december 2025 is reeds gesproken over een uitbreiding van de omgang in de vorm van overnachtingen van de kinderen bij de moeder, om zodoende te kunnen onderzoeken of een thuisplaatsing van de kinderen mogelijk is. De kinderen ondervinden de gevolgen van het uitblijven van stappen op dit punt. Het is van belang dat er voor de kinderen snel duidelijkheid komt over hun perspectief.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderen hebben in hun leven al veel meegemaakt. Zij moesten opgroeien in een instabiele en onveilige opvoedsituatie. De zorgen waren gelegen in verwaarlozing van de kinderen, hun persoonlijke hygiëne, spanningen tussen de ouders en de beschikbaarheid van de moeder. Ook waren er zorgen over het uitblijven van de benodigde hulpverlening omdat de ouders zich voor het inzetten hiervan slechts tijdelijk konden motiveren. Positief is dat de moeder aangeeft baat te hebben bij de geboden hulpverlening vanuit Introspekt en dat ook de vader goede stappen heeft gezet om zijn leven weer op orde te krijgen. Positief is ook dat de hulpverleningstrajecten voor de kinderen goed verlopen. De vraag is echter nog steeds of het de ouders voldoende zal lukken om de kinderen de stabiliteit en veiligheid te bieden die zij nodig hebben. Naar het oordeel van de kinderrechter blijft de betrokkenheid van een jeugdbeschermer daarom noodzakelijk. Een jeugdbeschermer houdt zicht op de ontwikkeling van de kinderen en kan regie voeren op de ingezette en nog in te zetten hulpverlening voor de kinderen én de ouders. Belangrijk is met name dat de ouders de noodzakelijk geachte hulpverlening blijvend accepteren om zo tot een structurele verbetering van de situatie te komen. Gelet op de tijd die hiervoor nog nodig is, is naar het oordeel van de kinderrechter verlenging van de ondertoezichtstelling met een jaar, waartegen geen verweer is gevoerd, passend en geboden.
5.3.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderen verblijven sinds augustus 2025 in het huidige pleeggezin en hier krijgen zij de stabiliteit en veiligheid geboden die zij nodig hebben om toe te komen aan hun ontwikkeling. Naar het oordeel van de kinderrechter kunnen de kinderen op dit moment nog niet thuis wonen bij (één van) de ouders omdat er nog onvoldoende zicht is op de opvoedsituatie bij de moeder en de vader nog geen passende woonplek heeft. Gebleken is dat het gezin momenteel al langere tijd zonder jeugdbeschermer zit. Dit heeft er toe geleid dat er in de afgelopen periode niet is toegewerkt naar het uitbreiden van de omgangsmomenten tussen de kinderen en de ouders met als doel te onderzoeken of een thuisplaatsing mogelijk is, dit terwijl de kinderrechter in deze rechtbank hier vorig jaar al meerdere keren op aandrong. Dit is onwenselijk, zeker nu de kinderen en de ouders al langere tijd aangeven dringend behoefte hebben aan perspectief. De kinderrechter ziet daarom aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden te verlengen en de behandeling van het verzoek voor het overige aan te houden. Op deze wijze kan de kinderrechter zicht houden op de ontwikkelingen in de komende periode.
5.4.
De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling om uiterlijk twee weken vóór de nader te bepalen zitting de rechtbank en de belanghebbenden te laten weten of het aangehouden deel van het verzoek gehandhaafd wordt en – als dit het geval is – die mededeling vergezeld te laten gaan van een schriftelijke update. Bij de schriftelijke update moet ook het verslag van de ingezette hulpverlening voor de moeder vanuit Introspekt worden overgelegd. De kinderrechter geeft de ouders mee om – in samenspraak met hun advocaten – een proactieve houding aan te nemen en bij onvoldoende voortgang in de komende periode, contact te leggen met de gecertificeerde instelling en, eventueel, de ontwikkelingen zelf schriftelijk vast te leggen en aan de gecertificeerde instelling toe te zenden.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tot 10 mei 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 8 september 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting,
gelegen vóór 8 september 2026, bij voorkeur bij mr. J.E. Bierling;
6.5.
verzoekt de gecertificeerde instelling de schriftelijke update als genoemd in 5.4
uiterlijk twee wekenvoorafgaand aan voormelde zitting aan de rechtbank en de belanghebbenden toe te zenden;
6.6.
gelast de griffier voor voormelde zitting op te roepen:
- de gecertificeerde instelling;
- de moeder;
- de advocaat van de moeder: mr. E.G.S.N. Asselbergs;
- de vader;
- de advocaat van de vader: mr. L. Rijsdam;
- de pleegouders;
- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor een kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door
mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van L. van der Gaag als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.