ECLI:NL:RBDHA:2026:18838

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/09/704925
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en aanhouding vaststelling zorg- en opvoedingstaken minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van een minderjarige en een verzoek tot vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders. De kinderrechter heeft op 16 juni 2026 een zitting gehouden waarbij de ouders niet aanwezig waren, maar de minderjarige wel is gehoord.

De kinderrechter constateert dat hoewel de situatie van de minderjarige momenteel stabiel is, er nog steeds onderliggende zorgen zijn over zijn belaste verleden en de communicatie tussen de ouders. De vader kampt met een verslavingsproblematiek en toont wisselende bereidheid tot hulpverlening, waardoor zicht op de opvoedsituatie bij hem onvoldoende is. De hulpverlening aan de minderjarige is recent gestart en wordt als noodzakelijk geacht om voortgezet te worden.

De kinderrechter besluit daarom de ondertoezichtstelling te verlengen tot 26 juni 2027 en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Het verzoek tot vaststelling van de zorg- en opvoedingstaken wordt aangehouden tot een nader te bepalen zitting, mede omdat de ouders niet aanwezig waren en de kinderrechter wil afwachten hoe de omgang zich ontwikkelt na de start van het nieuwe voetbalseizoen. De gecertificeerde instelling wordt verzocht een schriftelijke update te geven voorafgaand aan de volgende zitting.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 26 juni 2027 en de behandeling van het verzoek tot vaststelling van zorg- en opvoedingstaken wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers:
I. C/09/704925 / JE RK 26-801
II. C/09/704930 / JE RK 26-802
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter overI. een verlenging ondertoezichtstellingII. een vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift in zaak I, met bijlagen, ontvangen op 7 mei 2026;
  • het verzoekschrift in zaak II, met bijlagen, ontvangen op 7 mei 2026;
- de nagezonden verslagen vanuit Cardea en Family Supporters, ontvangen op 15 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Daarbij was aanwezig:
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
De vader en moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist is opgeroepen. De moeder heeft zich bij e-mailbericht van 11 mei 2026 afgemeld voor de zitting.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezige jeugdbeschermer heeft daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 juni 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 26 juni 2026.

3.De verzoeken

Verzoek I
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Hoewel de afgelopen periode goede stappen zijn gezet, is er op dit moment nog onvoldoende zicht op de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de ouders. Het is daarom belangrijk dat verdere hulpverlening voor de ouders wordt ingezet. Er is een aanmelding gedaan bij Cardea voor opvoedondersteuning en ouderschapsbemiddeling. Cardea heeft aangegeven dat ouderschapsbemiddeling niet passend is omdat er tussen de ouders geen sprake is van een conflictscheiding, en daarnaast ook besloten om de ouderschapsondersteuning niet te starten. De gecertificeerde instelling is het daar niet mee eens. De vader is, hoewel open over zijn verslaving, wisselend in zijn bereidheid om aan de hulpverlening mee te werken, waaronder ook de hulpverlening gericht op zijn verslavingsproblematiek. Er is zicht bij de vader nodig, zodat er ook een beeld is over de beschikbaarheid van de vader voor [minderjarige] . Daarnaast bestaan er nog zorgen over de communicatie tussen de ouders. Er is nog geen sprake van een stabiele samenwerking. Hierdoor ontstaan er spanningen en wordt [minderjarige] belast met volwassenproblematiek. [minderjarige] heeft een belast verleden, maar hierover uit hij zijn gevoelens niet. [minderjarige] is daarom aangemeld voor lichaamsgerichte therapie (PMT-therapie) en dit is recent gestart. Door deze hulpverlening leert [minderjarige] hoe hij met zijn emoties om kan gaan. Daarbij zal ook onderzocht worden in hoeverre [minderjarige] last heeft van het verleden en wat hij nodig heeft in de verwerking daarvan. Om de nog benodigde hulpverlening in te zetten en de ingezette hulpverlening te monitoren, is volgens de gecertificeerde instelling een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk.
Verzoek II
3.3.
De gecertificeerde instelling heeft verzocht om de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen:
  • [minderjarige] is om de week van zaterdag 18:00 tot zondag 17:00 bij de vader (na de voetbal op zaterdag, ook als de voetbal niet doorgaat);
  • [minderjarige] slaapt van zaterdag op de zondag bij de vader. De vader haalt en brengt [minderjarige] . De overige tijd verblijft [minderjarige] bij de moeder;
  • [minderjarige] verblijft in de tweede week van de zomervakantie bij de vader van maandag 09:30 tot en met zondag 17:00;
  • [minderjarige] verblijft bij de vader op één Kerstdag: in de even jaren op Eerste Kerstdag van 09:30 tot 19:30 en in de oneven jaren op Tweede Kerstdag van 09:30 tot 19:30;
  • [minderjarige] verblijft eens per twee jaar bij de vader op oudejaarsdag van 15:00 tot en met nieuwjaarsdag 12:00: dat is 31 december 2026 op 1 januari 2027, dan op 31 december 2027 op 1 januari 2028 en zo verder.
3.4.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Tussen de ouders is een ouderschapsplan opgesteld, waarin ook afspraken over de omgang tussen [minderjarige] en de vader zijn vastgelegd. De gecertificeerde instelling meent dat dit een verouderd en onduidelijk plan is. In het ouderschapsplan worden bijvoorbeeld geen concrete tijden gekoppeld aan de omgangsmomenten in de vakanties. Ook is niet duidelijk vermeld of [minderjarige] in de even of oneven weken bij de vader verblijft. Het is belangrijk voor [minderjarige] en de ouders dat hierover duidelijkheid komt, in de hoop dat hierdoor afspraken worden nagekomen en de communicatie tussen de ouders verbetert. Bij de voorgestelde regeling is het ouderschapsplan als uitgangspunt gebruikt, maar in het belang van [minderjarige] is er een aanpassing gedaan. Deze aanpassing ziet erop om de omgang bij de vader om de week op zaterdag van 18:00 uur tot zondag 17:00 uur plaats te laten vinden in plaats van om de week op vrijdag van 16:30 uur tot zondag 17:00 uur. Daartoe redengevend is dat [minderjarige] elke zaterdagochtend een voetbalwedstrijd op verschillende plaatsen heeft en de vader [minderjarige] niet naar voetbalwedstrijden buiten [woonplaats 2] toe kan brengen omdat hij geen auto heeft.

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft zich bij e-mailbericht van 11 mei 2026 schriftelijk uitgelaten over het verzoek dat strekt tot het verlengen van de ondertoezichtstelling. Daaruit volgt dat de moeder hiertegen geen verweer voert omdat zij van mening is dat de hulpverlening nodig is om de communicatie met de vader duurzaam te verbeteren.

5.De beoordeling

Verzoek I
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[minderjarige] heeft in zijn jonge leven al veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, waarbij hij is blootgesteld aan huiselijk geweld en hoogoplopende conflicten tussen de ouders. Hoewel het op dit moment goed lijkt te gaan met [minderjarige] en er geen zorgen meer zijn over zijn gedrag, bestaan er nog wel zorgen over de onderliggende gevoelens van [minderjarige] en in hoeverre zijn belaste verleden daarin een rol speelt. Recent is hiervoor hulpverlening ingezet voor [minderjarige] en gezien wordt dat [minderjarige] daar baat bij heeft. De kinderrechter vindt het dan ook belangrijk dat deze hulpverlening in de komende periode wordt voortgezet. Daarnaast bestaan er nog zorgen over de communicatie en de spanningen tussen de ouders. Ondanks dat in de afgelopen periode zich geen escalaties hebben voorgedaan en het contact tussen de ouders rustiger verloopt, is er nog geen sprake van een constructieve samenwerking en worden de afspraken (over de omgang) uit het ouderschapsplan onvoldoende nagekomen. [minderjarige] heeft hier last van. Verder lijkt bij de vader sprake te zijn van een patroon waarbij hij open staat voor de noodzakelijk geachte hulpverlening, maar het hem niet lukt om de hulpverlening – waaronder voor zijn verslavingsproblematiek – aan te gaan. Hierdoor komt de benodigde hulpverlening niet van de grond, waardoor er ook nog onvoldoende zicht bestaat op de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de vader. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer noodzakelijk blijft. Een jeugdbeschermer houdt zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] en kan de benodigde hulpverlening voor [minderjarige] én de ouders inzetten en monitoren. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar.
5.3.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Verzoek II
5.5.
De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder niet op de zitting zijn verschenen. Zoals reeds is benoemd, heeft de moeder zich bij e-mailbericht van 11 mei 2026 afgemeld voor de zitting en de gecertificeerde heeft aangegeven dat de vader niet naar de zitting kon komen wegens ziekte. De kinderrechter vindt het belangrijk om de vader en de moeder te kunnen horen op het verzoek en ziet daarom aanleiding om het verzoek in zijn geheel aan te houden. Zij zal dit doen voor de duur van vier maanden. Dit biedt tevens de gelegenheid om te bezien hoe de omgang in de komende periode en na de start van het nieuwe voetbalseizoen verloopt, vooral omdat de kinderrechter uit het gesprek dat zij met [minderjarige] heeft gevoerd heeft begrepen dat de omgang op dit moment conform de afspraken uit het ouderschapsplan verloopt. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling om uiterlijk twee weken vóór de nader te bepalen zitting de kinderrechter en de belanghebbenden te laten weten of het verzoek gehandhaafd wordt en, als dit het geval is, die mededeling vergezeld te laten gaan van een schriftelijke update.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Verzoek I C/09/704925 / JE RK 26-801
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 26 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoek II C/09/704930 / JE RK 26-802
6.3.
houdt de behandeling voor het verzoek aan tot een nader te bepalen zitting,
gelegen vóór 16 oktober 2026, bij voorkeur bij mr. N.B. Haverhoek;
6.4.
verzoekt de gecertificeerde instelling om
uiterlijk twee weken voorafgaand aan de nader te bepalen zittingeen schriftelijke update als genoemd in rechtsoverweging 5.5 aan de kinderrechter en de belanghebbenden toe te zenden.
6.5.
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de gecertificeerde instelling;
- de moeder;
- de vader;
- [minderjarige] voor het kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van L. van der Gaag als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.