ECLI:NL:RBDHA:2026:18846

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35308
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 59c Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.5 VreemdelingenbesluitArt. 5.6 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

Eiser is in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een onderduikrisico en het belang van de openbare orde. De minister heeft meerdere gronden aangevoerd, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het niet naleven van terugkeerplicht en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats.

Eiser heeft deze gronden niet betwist, maar zijn gemachtigde stelde dat voorafgaand aan de maatregel geen contact met hem was opgenomen om een zienswijze te geven. De rechtbank oordeelt dat dit niet noodzakelijk was omdat eiser zelf geen advocaat wilde bij het gehoor en er wel contact was geweest met de gemachtigde.

De rechtbank concludeert dat de maatregel voldoet aan de wettelijke voorwaarden, dat geen minder ingrijpende maatregel toereikend was en dat de maatregel niet onrechtmatig is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35308

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

gemachtigde: mr. W.M. Blaauw,
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
2.2.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend op 30 juni 2026.
De minister heeft een verweerschrift ingediend op 2 juli 2026. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 6 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [3] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [4] De vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [5] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [6]
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser heeft de aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen.
6. Gemachtigde van eiser stelt dat voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring ten onrechte geen contact met hem is opgenomen. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring niets willen zeggen.
Dat houdt in dat hij ook zijn zienswijze niet heeft gegeven. Gemachtigde van eiser stelt dat de AVIM, voordat werd beslist dat eiser in vreemdelingenbewaring werd gesteld, contact met hem had moeten opnemen om te vragen of hij als zijn gemachtigde nog iets naar voren wilde brengen over de voorgenomen detentie.
6.1
De rechtbank volgt gemachtigde van eiser hierin niet. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat eiser heeft aangegeven geen advocaat bij het gehoor te willen. Verder blijkt uit het dossier dat er op 24 juni 2026 contact is geweest met gemachtigde van eiser. Gemachtigde van eiser heeft enkel meegedeeld eiser later in het detentiecentrum te zullen bezoeken. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
5.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
6.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
7.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.