ECLI:NL:RBDHA:2026:18848

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35525
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 44 Asiel- en migratiebeheerverordeningArt. 5.5 VbArt. 5.6 VbArt. 59c Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

De rechtbank Den Haag heeft op 8 juli 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte de rechtmatigheid van deze maatregel en voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder gebreken in het voortraject en onjuiste feitelijke gronden.

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van gebreken in het voortraject. De vermeende kennelijke verschrijvingen in het proces-verbaal van staandehouding zijn onvoldoende om de maatregel aan te tasten. Ook het ontbreken van een aankruisvak in het proces-verbaal leidt niet tot een gebrek, omdat de relevante informatie elders in de stukken is vastgelegd.

Feitelijk zijn de gronden voor de maatregel, zoals het onderduikrisico en het niet-medewerken aan overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat, juist en voldoende. De rechtbank concludeert dat de maatregel voldoet aan de wettelijke vereisten en dat er geen lichtere, doeltreffende maatregelen beschikbaar zijn.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter R.P. van Eerde en griffier H.B. Slot - Akkerman.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35525

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler,
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 26 juni 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
2.2.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend op 30 juni 2026.
De minister heeft een verweerschrift ingediend op 2 juli 2026. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 6 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van Pro de Asiel- en migratiebeheerverordening. [3] In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. [4]
3.1.
Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde
. [5] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [6]
3.2.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring [7] .
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser stelt dat in het proces-verbaal van staandehouding niet de naam van eiser staat vermeldt en dat dit leidt tot een gebrek in het voortraject.
5.1
De minister stelt zich op het standpunt dat sprake is van een kennelijke verschrijving. In het proces-verbaal staat het juiste V-nummer genoteerd en wordt er op
dezelfde pagina nog beschreven dat de heer [eiser] zichzelf als zodanig kenbaar maakte na binnentreding. Verder verwijst de minister naar het proces-verbaal van binnentreden, waar ook de juiste gegevens staan genoteerd en het aanvullend
proces-verbaal van 2 juli 2026, opgesteld door de betreffende ambtenaar, waarin tevens wordt aangegeven dat het om een kennelijke verschrijving gaat.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank eveneens van oordeel dat er geen sprake is van een gebrek, maar alleen van een kennelijke verschrijving. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser stelt dat in het proces verbaal staandehouding en ophouding onder punt 3 niets door de minister is aangekruist, hetgeen eveneens leidt tot een gebrek.
6.1
De minister stelt zich op het standpunt dat het feit dat onder punt 3 in het proces-verbaal van staandehouding en overbrenging niets is aangekruist geen gebrek oplevert, omdat eerder in het proces-verbaal wordt verwezen naar het proces-verbaal van binnentreden. Uit dit document blijkt dat eiser na binnentreding een document heeft getoond waarmee zijn identiteit werd vastgesteld. Uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt al de reden van staandehouding, namelijk het onrechtmatig verblijf van eiser in Nederland. De informatie die in punt drie aangekruist had moeten worden, is dus wel door middel van een (ander) proces-verbaal duidelijk geworden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank ook op dit punt van oordeel dat er geen sprake is van een gebrek, nu in het proces-verbaal van staandehouding en overbrenging, onder punt 1a, eisers identiteit en nationaliteit al is vastgesteld en al is vastgesteld dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser betwist de aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag gelegde gronden.
7.1
De rechtbank stelt vast dat de gronden a en k feitelijk juist zijn. Eiser heeft zelf verklaard geen paspoort te hebben. Hij heeft in België een asielaanvraag ingediend en is vervolgens naar Nederland gereisd. Eiser stelt medewerking te verlenen, maar is op 10 april 2026 met onbekende bestemming vertrokken. Op 4 juni 2026 was een overdracht aan België gepland en is eiser niet verschenen voor zijn overdracht. De gronden a en k zijn reeds voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen, de overige door eiser betwiste gronden hoeven dan ook geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [8]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.
4.Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
5.Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.
6.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
7.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
8.ECLI:EU:C:2022:858.