ECLI:NL:RBDHA:2026:18860

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35087
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P. Bruins
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 59c Vreemdelingenwet 2000Art. 5.5 VreemdelingenbesluitArt. 5.6, eerste lid, VreemdelingenbesluitArt. 106, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 23 juni 2026. Eiser betwistte de rechtmatigheid van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. Tijdens de zitting op 2 juli 2026, gehouden via beeldverbinding, gaf eiser aan asiel te willen aanvragen, waarna de minister toezegde dit door te geven aan de casemanager.

De rechtbank beoordeelde of de maatregel voldeed aan de wettelijke voorwaarden, waaronder het bestaan van een onderduikrisico en het ontbreken van minder dwingende maatregelen. De minister had als gronden onder meer genoemd dat eiser eerder een vertrekbesluit had ontvangen, zich niet aan verplichtingen had gehouden, geen vaste woon- of verblijfplaats had en onvoldoende middelen van bestaan beschikte. Eiser betwistte deze gronden niet.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was opgelegd en dat er geen reden was om een schadevergoeding toe te kennen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser kreeg ook geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter P. Bruins en griffier T. Rommes op 6 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.35087
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser,
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: J. Raaijmakers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 23 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.2
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, B. Jansen als tolk en de gemachtigde van de minister. Er is voor eiser geen gemachtigde verschenen, omdat eiser
1. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2 Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
voor en tijdens de zitting uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen bijstand van een advocaat te willen.
2.3.
Ter zitting heeft eiser aangegeven asiel aan te willen vragen. De gemachtigde van de minister heeft aangegeven dit door te zullen geven aan eisers casemanager, zodat deze maatregel zal worden opgeheven en aan eiser aansluitend de maatregel als bedoeld in artikel 59b van de Vw word opgelegd en de asielaanvraag formeel kan worden ingediend.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.3 De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.4 Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.5 De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.6

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser heeft de gronden niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd. Uit deze gronden vloeit voort dat een risico op onderduiken bestaat, zodat deze gronden de maatregel in voldoende mate kunnen dragen.
3 Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4 Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
5 Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
6 Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
6. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij in Polen problemen heeft met een sekte, bestolen is en naar Nederland is gekomen om zijn geld terug te krijgen. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de maatregel niet had mogen opleggen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.7

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
7 Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 juli 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.