ECLI:NL:RBDHA:2026:18862
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing GVVA-aanvraag
Verzoeker heeft een verlengingsaanvraag ingediend voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 28 mei 2025 afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd bij besluit van 28 november 2025 eveneens afgewezen.
Tegen deze afwijzing is beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om het afwijzende besluit tijdelijk te schorsen. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 11 maart 2026.
Op 4 juni 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.59364). Gezien deze uitspraak achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.