ECLI:NL:RBDHA:2026:18868

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37120
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak Dublin-procedure Polen

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Polen volgens de Dublin-verordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de geplande overdracht aan Polen te voorkomen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening zonder zitting behandeld en het verzoek afgewezen omdat de rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, waardoor een voorlopige voorziening niet langer nodig is.

Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter W.B. Bruins in aanwezigheid van griffier H.B. Slot-Akkerman.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37120

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], V-nummer: [V-nummer], verzoekster

gemachtigde: mr. E. Derksen,
en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: mr. K. Jansen.

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter 5 juli 2026 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om per omgaande uitspraak te doen op het verzoek nu de vlucht voor overdracht aan Polen is gepland op 9 juli 2026.
De minister heeft op 6 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting in het kader van de hier te beoordelen voorlopige voorziening verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.10024, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Bruins, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H.B. Slot-Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.