ECLI:NL:RBDHA:2026:18869
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verlenging overdrachtstermijn Dublin Polen
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de termijn voor haar overdracht aan Polen op grond van de Dublinverordening te verlengen tot 18 maanden vanwege onderduiken. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, omdat haar overdracht gepland stond op 9 juli 2026.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, mede omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL26.29626), waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten en het verzoek werd zonder zitting behandeld.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open, waardoor de beslissing definitief is.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlenging van de overdrachtstermijn aan Polen wordt afgewezen.