ECLI:NL:RBDHA:2026:18879

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2612965:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 292 lid 3 Fw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot oplegging dwangakkoord wegens redelijke weigering schuldeisers

De schuldenaar bevindt zich in een problematische schuldensituatie met een totale schuld van €172.305,87 verdeeld over zes schuldeisers. Hij heeft een schuldregeling voorgesteld waarbij 8,128% van de vorderingen wordt betaald en de rest wordt kwijtgescholden, gebaseerd op zijn afloscapaciteit. Twee schuldeisers, QLS en Qredits, die samen bijna 75% van de totale schuld vertegenwoordigen, hebben het voorstel geweigerd.

De schuldenaar verzocht de rechtbank om een dwangakkoord op te leggen zodat deze schuldeisers gedwongen worden mee te werken. De rechtbank oordeelt dat de schuldbemiddeling door een bevoegde instantie, de gemeente, is uitgevoerd en het voorstel goed is gedocumenteerd. Echter, bij de belangenafweging weegt het belang van de grote schuldeisers zwaarder dan dat van de schuldenaar.

QLS verwijt de schuldenaar onbetrouwbaarheid en het verstrekken van valse informatie, terwijl Qredits wijst op de borgstelling die niet kan worden aangesproken. De rechtbank concludeert dat de weigering van QLS en Qredits niet onredelijk is en wijst het verzoek tot oplegging van het dwangakkoord af. Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt in een apart vonnis behandeld.

Uitkomst: Verzoek tot oplegging dwangakkoord wordt afgewezen omdat weigering van schuldeisers niet onredelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Toezicht
Rekestnummer: NL:TZ:2612965:R-RK
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [verzoeker] ,
tegen

1.Pakketdienst QLS B.V. vertegenwoordigd door De Koning Advocaten,

gevestigd en kantoorhoudende te Dordrecht,
hierna: QLS,

2.Qredits,

gevestigd en kantoorhoudende te Almelo,
hierna: Qredits,
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Hij heeft een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers, waarbij een deel van de vordering wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeiser wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De feiten waar de rechtbank van uit gaat

1.1.
[verzoeker] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van
€ 172.305,87 aan zes schuldeisers. Het is [verzoeker] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de [gemeente] heeft hij voor het laatst op 27 november 2025 een schuldregeling aangeboden (prognoseakkoord). Dit voorstel houdt in dat over een periode van 18 maanden aan de gewone schuldeisers een uitkering wordt aangeboden van 8,128% tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen. Deze percentage is gebaseerd op de afloscapaciteit van [verzoeker] op basis van zijn inkomen. Dat betekent dat de afloscapaciteit (en daarmee ook de uiteindelijke uitkering aan de schuldeisers) eventueel hoger of lager kan uitvallen.
1.2.
QLS is niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoeker] heeft een schuld aan QLS van € 63.985,68 en een schuld van € 7.054,80, dat is 41,21% van de totale schuldenlast.
1.3.
Qredits is ook niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoeker] heeft een schuld aan Qredits van € 58.093,69, dat is 33,70% van de totale schuldenlast.
1.4.
Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil hij dat de rechtbank QLS en Qredits dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil hij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).
1.5.
De rechtbank heeft bepaald (uiterlijk) 1 juli 2026 uitspraak te doen.

2.De procedure

2.1.
De verzoeken van [verzoeker] zijn behandeld op de zitting van 24 juni 2026. Op deze zitting verschenen:
- [verzoeker] ,
- mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2] , schuldhulpverleners van de [gemeente] ,
- mevrouw [naam 3] , beschermingsbewindvoerder.
2.2.
QLS en Qredits zijn opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen. Zij hebben wel schriftelijk verweer gevoerd.

3.Standpunten van partijen

3.1.
[verzoeker] stelt dat het onredelijk is dat QLS en Qredits het aanbod niet aanvaardt. Volgens hem heeft hij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden en kan hij niet meer aanbieden dan hij heeft gedaan.
3.2.
QLS stemt niet in met de aangeboden schuldregeling om de volgende redenen. QLS stelt dat zij terecht heeft geweigerd in te stemmen met de schuldregeling, omdat een deugdelijke onderbouwing onderbreekt. En als deze er wel was geweest, heeft [verzoeker] er blijk van gegeven dat hij valse informatie heeft gedeeld, met de kennelijke bedoeling om onder zijn verplichtingen uit te komen. QLS stelt dat [verzoeker] niet te goeder trouw was bij het laten ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De kosten die hij door QLS heeft laten maken, hebben hem directe marge opgeleverd. Hij heeft die marge door kunstgrepen gerealiseerd, geweigerd om QLS uit deze marge te betalen en in een rechtelijke procedure onjuiste omzetgegevens gedeeld om onder zijn betalingsverplichting uit te komen. Naar de opvatting van QLS zou [verzoeker] dus ook niet tot de WNSP toegelaten moeten worden. Voorts heeft [verzoeker] geen contact opgenomen met QLS om excuses te maken of een toelichting te geven en geen blijk gegeven van een schuldsaneringsgezinde houding.
3.3.
Qredits stemt niet in met de aangeboden schuldregeling om de volgende redenen. Er is een borgstelling afgegeven die voor Qredits een belangrijke zekerheid vormde bij het verstrekken van het krediet. Nu Qredits geen contact heeft kunnen krijgen met de borg, is er geen inzicht in de financiële situatie en de verhaalbaarheid van deze borg. Qredits stelt dat instemming met finale kwijting ook gevolgen heeft voor de mogelijkheden om de borg aan te spreken. Er kan niet worden vastgesteld of het voorstel het maximaal haalbare is. Daarnaast vertegenwoordigt Qredits 31,9% van de totale schuldenlast, waardoor het een aanzienlijk belang heeft. Volgens Qredits is de weigering daarom redelijk en voldoet deze aan de wettelijke criteria. Qredits wijst erop dat bij toelating tot de WSNP de borgstelling in stand blijft, waardoor die regeling volgens haar beter past dan een minnelijk akkoord.

4.De beoordeling van de verzoeken

4.1.
De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] om een dwangakkoord op te leggen afwijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat QLS en Qredits weigert in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De schuldbemiddeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door [gemeente] . Dat betekent dat wordt voldaan aan de door wet gestelde voorwaarde(n), namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Het voorstel is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
4.4.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen (van een (groot) deel) van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
4.5.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van [verzoeker] zelf, van de weigerende schuldeiser(s) en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier niet op zijn plaats is.
Het is niet onredelijk dat QLS en Qredits hebben geweigerd met de schuldregeling in te stemmen
4.6.
De vorderingen van QLS en Qredits bedragen met 74,91% een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast. Dat brengt mee dat niet snel kan worden geoordeeld dat het onredelijk is dat QLS en Qredits hebben geweigerd met de schuldregeling in te stemmen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat hun belang in dit geval moet prevaleren boven dat van [verzoeker] .
Op het WSNP-verzoek wordt in een apart vonnis beslist
4.7.
[verzoeker] heeft op de zitting laten weten het verzoek om te worden toegelaten tot WSNP te handhaven als het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord wordt afgewezen. De rechtbank zal op dat verzoek in een apart vonnis beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord af.
Dit is de beslissing van mr. D. de Loor, rechter, in samenwerking met R.D.A. Babulall-Oemrawsingh, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan [verzoeker] gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag. Dit kan alleen indien het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ook door de rechtbank is afgewezen en [verzoeker] tegelijk hoger beroep instelt tegen die afwijzing (art. 292 lid 3 Fw Pro).