ECLI:NL:RBDHA:2026:18880
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring en schadevergoeding
De zaak betreft een beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 25 juni 2026 door de minister van Asiel en Migratie aan hem is opgelegd. Eiser betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en vordert tevens een schadevergoeding. De rechtbank beoordeelt of de maatregel onrechtmatig was en of een schadevergoeding toekomt.
De minister heeft de maatregel op 30 juni 2026 opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkt tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was voorafgaand aan de opheffing. Eiser stelt dat hij niet in bewaring had mogen worden gesteld omdat er al een onherroepelijk strafrechtelijk vonnis bestond dat kon worden uitgevoerd. De rechtbank oordeelt dat de minister niet verplicht is voorafgaand aan de bewaring te onderzoeken of er nog strafrechtelijke vonnissen zijn en dat het beleid niet vereist dat een strafrechtelijke detentie eerst moet worden uitgezeten.
De rechtbank ziet geen andere gronden om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt ook geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M.J.M. Verhoeven en griffier J.M. van Kouwen op 8 juli 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.