ECLI:NL:RBDHA:2026:18880

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35490
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring en schadevergoeding

De zaak betreft een beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 25 juni 2026 door de minister van Asiel en Migratie aan hem is opgelegd. Eiser betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en vordert tevens een schadevergoeding. De rechtbank beoordeelt of de maatregel onrechtmatig was en of een schadevergoeding toekomt.

De minister heeft de maatregel op 30 juni 2026 opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkt tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was voorafgaand aan de opheffing. Eiser stelt dat hij niet in bewaring had mogen worden gesteld omdat er al een onherroepelijk strafrechtelijk vonnis bestond dat kon worden uitgevoerd. De rechtbank oordeelt dat de minister niet verplicht is voorafgaand aan de bewaring te onderzoeken of er nog strafrechtelijke vonnissen zijn en dat het beleid niet vereist dat een strafrechtelijke detentie eerst moet worden uitgezeten.

De rechtbank ziet geen andere gronden om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt ook geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M.J.M. Verhoeven en griffier J.M. van Kouwen op 8 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35490

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. Ö Sari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 25 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
2.2.
De minister heeft op 30 juni 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Omdat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. [2] In dit verband beoordeelt de rechtbank onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
Strafrechtelijke detentie
4. Eiser voert aan hij niet in bewaring mocht worden gesteld, omdat ten tijde van de inbewaringstelling op 25 juni 2026 al duidelijk was dat er een onherroepelijk strafrechtelijk vonnis lag met een veroordeling tot een gevangenisstraf van veertien dagen die kon worden geëxecuteerd. In de maatregel van bewaring is hierover niets terug te vinden, terwijl de minister zich ervan dient te vergewissen of er nog een strafrechtelijk vonnis ten uitvoer moest worden gelegd, alvorens te beslissen een vreemdeling in bewaring te stellen.
4.1.
Uit het beleid, zoals opgenomen in paragraaf A5/6.13 van de Vc 2000, volgt dat indien tijdens de bewaring bekend wordt dat de vreemdeling nog een strafrechtelijk vonnis moet ondergaan, dit vonnis zo snel mogelijk ten uitvoer wordt gelegd. De minister is, anders dan eiser stelt, niet verplicht voorafgaand aan bewaring te onderzoeken of ten aanzien van de vreemdeling nog niet ten uitvoer gelegde vonnissen bestaan. [3] Evenmin volgt uit het beleid de verplichting dat de vreemdeling eerst eventuele strafrechtelijke vonnissen uit moet zitten voordat hij in bewaring kan worden geplaatst. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
2.Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3.ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219.
4.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.