ECLI:NL:RBDHA:2026:18885

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.32190
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.A. Berghuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, eerste, derde en vierde lid VreemdelingenbesluitArt. 64 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring en verzoek om schadevergoeding afgewezen

Eiseres, van Vietnamese nationaliteit, werd op 2 juni 2026 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister motiveerde dit met het risico dat eiseres zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Eiseres stelde dat de maatregel niet nodig was en dat lichtere middelen, zoals een meldplicht, voldoende zouden zijn geweest.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende en feitelijk juiste gronden had aangevoerd voor de bewaring en dat het opleggen van een lichter middel niet effectief zou zijn geweest, gezien het uitblijven van vertrek ondanks eerdere afspraken met het IOM. Daarnaast was er volgens de rechtbank zicht op uitzetting naar Vietnam, mede omdat een laissez-passer was aangevraagd bij de Vietnamese autoriteiten.

Eiseres voerde ook gezondheidsproblemen aan als reden voor detentieongeschiktheid, maar kon dit onvoldoende onderbouwen met medische documenten. De rechtbank stelde vast dat de zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij en dat het uitstel van vertrek was opgeheven. De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32190
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen D.T. Tran. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Vietnamese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1975.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiseres de zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd niet heeft bestreden. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat sprake is van een risico op onttrekking en kunnen daarom de maatregel van bewaring dragen.

Lichter middel

4. Eiseres stelt dat inbewaringstelling een ultimum remedium is, wat in dit geval niet nodig was geweest. Eiseres heeft meerdere afspraken met het IOM gehad om zelfstandig te vertrekken. Het is niet zo dat eiseres tijdens het vertrekgesprek van 2 juni 2026 steeds nieuwe redenen aanvoerde waarom zij niet kon vertrekken. Zij heeft slechts meer uitleg gegeven over de redenen waarom zij liever nog had willen blijven. Ook het blanco papier zonder logo waar ‘paid’ op stond kon niet zonder nadere motivering leiden tot haar inbewaringstelling. Eiseres is momenteel nog in afwachting van haar paspoort en kan in afwachting daarvan ook verblijven in het asielzoekerscentrum in [plaats] , waar zij eerder ook verbleef.
5. De rechtbank vat de beroepsgrond van eiseres zo op dat zij meent dat de minister had kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. De minister heeft daartoe mogen overwegen dat de gronden van de maatregel van bewaring en de motivering daarvan al laten zien dat er sprake is van een risico op onttrekking. Aan eiseres was een lichter middel opgelegd in de vorm van een meldplicht, maar dit heeft niet geleid tot haar vertrek, ondanks het contact dat zij heeft gehad met IOM. Dat eiseres tijdens het vertrekgesprek van 2 juni 2026 uitleg heeft gegeven over de redenen waarom zij niet is vertrokken en een blanco papier heeft getoond waaruit moet blijken dat zij een paspoort heeft aangevraagd maakt dit niet anders. Eiseres heeft voldoende tijd gehad om te vertrekken. Een lichter middel zal gezien bovenstaande redenen niet doeltreffend zijn en niet leiden tot het vertrek van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op uitzetting

6. Eiseres stelt dat er in haar geval geen sprake is van zicht op uitzetting naar Vietnam. De minister wist tijdens het vertrekgesprek van 2 juni 2026 al dat het paspoort van
eiseres niet was verlengd. Zonder dit paspoort kan eiseres niet uitgezet worden. Momenteel is eiseres ook nog in afwachting van haar paspoort.
7. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiseres sprake is van zicht op uitzetting. Niet is gebleken dat er in zijn algemeenheid geen zicht op uitzetting is naar Vietnam. Het enkele feit dat eiseres nog niet beschikt over een paspoort maakt ook niet dat er geen zicht op uitzetting is. De minister heeft immers op 22 april 2026 een laissez-passer aanvraag ingediend bij de Vietnamese autoriteiten. Het is niet gebleken dat deze niet afgegeven zal worden. De beroepsgrond slaagt niet.

Detentieongeschiktheid

8. Eiseres stelt dat zij gezondheidsproblemen ervaart. Dat blijkt ook uit de eerdere toewijzing van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw. Als eiseres gespannen is stijgt haar bloeddruk.
9. De rechtbank merkt deze beroepsgrond van eiseres aan als een beroep op detentieongeschiktheid. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij detentieongeschikt zou zijn. Het uitstel van vertrek van eiseres op grond van artikel 64 van Pro de Vw is opgeheven. Verder heeft eiseres geen medische documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij detentieongeschikt zou zijn. De zorg in het detentiecentrum is gelijkwaardig met die in de vrije maatschappij. Mocht eiseres klachten hebben over de zorg aldaar, dan kan zij daarover een klacht indienen bij de directeur van het detentiecentrum. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toets

10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.