ECLI:NL:RBDHA:2026:18890

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.33924
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.A. Berghuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59c VwArt. 106 VwArt. 5.6 VbArt. 5.7 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken voorafgaand gehoor en toekenning schadevergoeding

De rechtbank Den Haag heeft op 2 juli 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser bezwaar maakte tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 17 juni 2026. De maatregel werd opgelegd zonder dat eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling werd gehoord, hetgeen eiser aanvoerde als onrechtmatigheid.

De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van het voorafgaande gehoor in strijd is met artikel 5.8, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en het verdedigingsbeginsel. De minister kon niet aantonen dat het ontbreken van het gehoor gerechtvaardigd was door de onbeschikbaarheid van een advocaat of de ophoudtermijn. Bovendien is vastgesteld dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad, omdat hij niet de mogelijkheid had om lichter middelen aan te dragen.

De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring en kent een schadevergoeding toe van €1.840,- voor 15 dagen onrechtmatige bewaring. Tevens wordt een proceskostenvergoeding van €1.868,- aan eiser toegekend. De uitspraak is openbaar en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard, opgeheven en eiser krijgt een schadevergoeding en proceskosten toegekend.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.33924
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. P. Celikkal),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 17 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.2
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Abas als tolk en de gemachtigde van de minister.
1. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2 Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico.3 Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.4
3.1.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.5
Kon de minister het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling achterwege laten?
4. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling niet is gehoord.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser op 17 juni 2026 om 22:38 uur in bewaring is gesteld op grond van 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, zonder dat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling is gehoord. Het bewaringsgehoor (M110) heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling niet is gehoord.
6. De minister verwijst naar de bewaringsmaatregel van 17 juni 2026 waarin het volgende is opgenomen: ‘’Met betrekking tot het gehoor omtrent zijn inbewaringstelling wilt betrokkene geen verklaring afleggen zonder fysieke bijstand van zijn advocaat. De advocaat heeft betrokkene rechtsbijstand verleent voorafgaand aan het ophoudingsgehoor echter bij aanvang van het gehoor voor de maatregel van inbewaringstelling was de advocaat niet meer bereikbaar waardoor de in bewaring stelling tot stand is gekomen voordat het gehoor heeft plaatsgevonden. Betrokkene zal ten spoedigste, na aankomst advocaat, worden gehoord.’’
3 Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
4 Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb.
5 Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
7. De minister stelt zich op het standpunt dat artikel 5.8, tweede lid, (voorheen 5.2) Vb hier aan de orde is, waardoor er geen gebrek in het voortraject is. De minister wijst erop dat de ophouding om 23:54 uur zou eindigen. Voor die tijd was er geen advocaat beschikbaar, daarom is eiser om 22:38 uur in bewaring gesteld zonder gehoor. Daarbij stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet in enig belang is geschaad. Dit omdat, volgens de minister, eiser verklaard zou hebben dat de gronden klopten en eiser nadien akkoord was gegaan met een gehoor zonder advocaat.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser om 17:54 uur overgebracht is naar een plaats bestemd voor verhoor, waar hij in beginsel niet langer dan zes uur mag worden opgehouden.6 De termijn voor de ophouding zou dus om 23:54 uur verstrijken. De rechtbank stelt vast dat de minister de bewaringsmaatregel van 17 juni 2026 om 22:38 uur heeft opgelegd. Er is om 18.26 uur een melding vreemdelingenpiket verstuurd. Echter uit het dossier blijkt niet aan welke advocaat de piketmelding is gezonden. Ook blijkt niet uit het dossier of er getracht is contact te leggen met de (piket)advocaat of dat er is getracht een andere advocaat in te schakelen. In de maatregel staat wel dat “de advocaat” niet meer bereikbaar was. Het is niet duidelijk welke advocaat hiermee wordt bedoeld en op welke wijze getracht is contact te leggen. Aan eiser is ook niet gevraagd of hij, nu het voornemen er was om hem zonder voorafgaand gehoor in bewaring te stellen, dan toch liever zonder advocaat alsnog gehoord wilde worden. Desgevraagd heeft de minister hier ter zitting geen nadere uitleg over kunnen geven. Gelet op de Nota van Toelichting bij het Besluit van 23 november 2000 tot uitvoering van de Vw,7 dient artikel 5.8, eerste lid, van de Vb als hoofdregel te worden beschouwd en kan daar slechts in uitzonderingsgevallen van worden afgeweken. De rechtbank is van oordeel dat de door de minister aangevoerde omstandigheden, het ontbreken van een beschikbare advocaat en het aflopen van de ophoudtermijn, niet meebrengen dat het voorafgaande gehoor niet kon worden afgewacht in de zin van artikel 5.8, tweede lid, van het Vb.
Is eiser in zijn belangen geschaad?
9. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 september 2023, M.G. en N.R.8, volgt voorts dat niet elke schending van de rechten van de verdediging, zonder meer en in alle gevallen met zich brengt dat de maatregel moet worden opgeheven. Dit is pas aan de orde indien uit de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval volgt dat de schending van het recht ook daadwerkelijk aan de vreemdeling de mogelijkheid heeft ontnomen zich zodanig te verweren dat de besluitvorming een andere afloop had kunnen hebben.
10. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in zijn belangen is geschaad, aangezien eiser de volgende ochtend is gehoord nadat er contact was geweest tussen eiser en zijn piketadvocaat, eiser vervolgens heeft verklaard akkoord te zijn met het gehoor zonder advocaat en hij aan het eind van het gehoor heeft verklaard dat de gronden kloppen. De rechtbank volgt de minister niet. Eiser heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij door het ontbreken van een voorafgaand gehoor zijn redenen voor toepassing van een lichter middel niet heeft kunnen aanvoeren, waaronder dat hij meewerkte aan het onderzoek,
6 Dit volgt uit artikel 50, derde lid, Vw.
7 Stb. 2000, 497.
8 ECLI:EU:C:2013:533.
dat hij een verblijfadres had opgegeven en dat hij een eerste asielaanvraag had ingediend. Dit zijn omstandigheden die, indien zij voorafgaand aan de inbewaringstelling aan de minister bekend waren geweest, tot een andere afweging hadden kunnen leiden.
11. Uit het voorgaande volgt dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 5.8, eerste lid van het Vb, het verdedigingsbeginsel en dat hij heeft nagelaten voldoende kennis te vergaren ten aanzien van de af te wegen belangen. De maatregel van bewaring is reeds hierom van meet af aan onrechtmatig.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag, 1 juli 2026.
12.1.
Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 15 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 14 x € 120,- (verblijf detentiecentrum)
= € 1.840,-.
12.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.840,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag, 1 juli 2026;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.