ECLI:NL:RBDHA:2026:18894

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.34736
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.A. Berghuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 44 Asiel- en MigratiebeheerverordeningArt. 5.5 VbArt. 5.6 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de aan hem opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister legde deze maatregel op vanwege een concreet onderduikrisico en de noodzaak tot overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat volgens de Asiel- en Migratiebeheerverordening.

Eiser betwist enkele gronden waarop de maatregel is gebaseerd, met name het vermeende verstrekken van tegenstrijdige gegevens over zijn identiteit. De minister heeft deze grond tijdens de zitting laten vallen. De rechtbank oordeelt dat de overige, niet-bestreden gronden voldoende zijn om de maatregel te dragen, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen, het niet meewerken aan overdracht en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats.

De rechtbank toetst ambtshalve of de maatregel voldoet aan de voorwaarden van proportionaliteit en subsidiariteit en concludeert dat dit het geval is. Er is geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten of om een schadevergoeding toe te kennen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.34736
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel
.Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 22 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.2
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Cetinkaya als tolk en de gemachtigde van de minister.
1. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2 Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en Migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van Pro de Asiel- en Migratiebeheerverordening.3 In de Asiel- en Migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.4
3.1.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en Migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde
.5 De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.6
3.2.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring7.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en er een onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3 Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.
4 Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
5 Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.
6 Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
7 Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden 2a, 2d en 2k heeft betwist. Ten aanzien van grond 2d stelt eiser dat hem wordt tegengeworpen dat hij tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn geboorteplaats, maar hierbij niet moedwillig gegevens heeft verzwegen voor eigen gewin. Eiser voert aan dat hij dit verklaard heeft omdat hij niet beter weet dan dat hij heel zijn leven in Istanbul is geweest en Hizan enkel feitelijk zijn geboorteplaats is. Volgens eiser is de verwarring over de geboorteplaats ontstaan omdat hij in Duitsland in het Turks en bij het aanmeldgehoor in Nederland in het Koerdisch is gehoord.
6. Ten aanzien van grond 2d heeft de minister ter zitting aangegeven dat hij eiser volgt in zijn betoog. De minister heeft ter zitting grond 2d laten vallen.
7. Deze beroepsgrond slaagt niet. Weliswaar betwist eiser dat de gronden 2a en 2k aan hem kunnen worden tegengeworpen, maar de niet bestreden gronden zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een onderduikrisico bestaat.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.8

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
8 Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.