ECLI:NL:RBDHA:2026:18895

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
26.5326
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 onder b en c Vw 2000Art. 15c Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Syriër wegens onvoldoende bewijs politieke vervolging en 15c-situatie

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 15 december 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 23 januari 2026 af als ongegrond. Eiser stelde dat hij vanwege een oproep voor de reservistendienst en politieke uitingen op social media gevaar loopt bij terugkeer naar Syrië. Hij voerde meerdere beroepsgronden aan tegen de afwijzing.

De rechtbank behandelde twee beroepen tegen hetzelfde besluit, waarvan één niet-ontvankelijk werd verklaard omdat eiser geen redelijk belang meer had. De rechtbank oordeelde dat de minister de oproep voor de reservistendienst niet hoefde te toetsen omdat dit geen grond voor asiel is. De stellingen over problemen met de veiligheidsdienst wegens politieke uitingen werden niet geloofwaardig bevonden, mede omdat eiser geen objectief bewijs leverde en zijn verklaringen inconsistent waren.

Verder oordeelde de rechtbank dat de minister terecht geen reëel risico op ernstige schade aannam op basis van de huidige situatie in Syrië, die als een 15c-situatie in de laagste gradatie werd gekwalificeerd. Humanitaire omstandigheden werden niet meegewogen omdat deze niet hoofdzakelijk voortkomen uit willekeurig geweld. De rechtbank wees ook het beroep op een rechterlijke dwangsom af wegens gebrek aan bevoegdheid. Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het ene beroep niet-ontvankelijk en het andere ongegrond, en wees zij de asielaanvraag af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het andere beroep niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.5326 en NL26.9879

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. Y.G.F.M. Coenders),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 15 december 2023 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 23 januari 2026 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
Ook heeft eiser eerder, op 16 augustus 2024, beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Dit beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats op 25 november 2024 niet ontvankelijk verklaard, waartegen eiser hoger beroep heeft ingesteld. De Afdeling [2] heeft het hoger beroep op 18 februari 2026 niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep tegen het inmiddels genomen besluit van 23 januari 2026 terugverwezen naar deze rechtbank en zittingsplaats. Dit beroep staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.9879. Omdat de beroepen zien op hetzelfde besluit behandelt de rechtbank beide beroepen in deze uitspraak.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was een tolk aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen een standpunt in te nemen over de te verbeuren dwangsom.
2.3.
De minister heeft op 17 juni 2026 gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een standpunt in te nemen over de dwangsom. De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd op 26 juni 2026. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Twee beroepen
3. Zoals onder 2.1. uiteengezet, ziet deze uitspraak op twee beroepen tegen hetzelfde besluit. De rechtbank overweegt dat eiser, indien de rechtbank beslist op het beroep dat aan haar is terugverwezen door de Afdeling (NL26.9879), geen redelijk belang meer heeft bij het door hem ingediende beroep (NL26.5326). De rechtbank zal dit laatste beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij is gevlucht voor de algemene onveilige situatie in zijn land van herkomst en vanwege een oproep voor de reservistendienst. Eiser vreest bij terugkeer voor vervolging om politieke redenen door de regimewisseling. Hij heeft zich namelijk via social media kritisch geuit over het nieuwe regime en de veiligheidsdienst is hiervoor meermaals bij zijn ouders langs geweest.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Eiser is opgeroepen voor de reservistendienst;
Eiser heeft problemen met de veiligheidsdienst op grond van zijn politieke uitingen.
5.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De oproep voor de reservistendienst wordt niet op geloofwaardigheid getoetst, omdat dit motief hoe dan ook geen aanleiding zou geven tot het verlenen van een asielvergunning zoals bedoeld in artikel 28 Vw Pro. De problemen met de veiligheidsdienst door de politieke uitingen van eiser worden niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn verklaringen niet met objectieve documenten onderbouwd en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. [3]
Zienswijze
6. De rechtbank overweegt dat eisers stelling dat zijn zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.
Heeft de minister de problemen door de politieke uitingen niet geloofwaardig kunnen achten?
7. Eiser stelt dat de minister te weinig rekening heeft gehouden met het feit dat eiser zijn politieke uitingen op sociale media heeft verwijderd uit angst voor zijn veiligheid en de veiligheid van zijn familie. Hij heeft de berichten in paniek verwijderd, zonder er bij stil te staan dat de berichten belangrijk konden zijn als bewijs in zijn asielprocedure. Ook heeft eiser zich niet gerealiseerd dat de minister zo zwaar zou tillen aan het specifieke aantal bezoeken van de veiligheidsdienst aan zijn ouders, en daarom heeft hij dit niet gecorrigeerd in het nader gehoor. Ook meent eiser dat de op hem gelegde bewijslast ten aanzien van de reden van de bezoeken van de veiligheidsdienst te zwaar is. Door het veranderde regime en de veranderende veiligheidssituatie is het moeilijk om een duidelijk beeld te krijgen van de handelswijze van de nieuwe regering. Eiser wijst in dit kader op een rapportage van Reuters van 22 december 2025. Aan eiser kan op dit moment niet worden tegengeworpen dat hij geen of onvoldoende bronnen kan aanhalen om zijn verklaringen te ondersteunen, omdat er een gebrek is aan betrouwbare informatie. De beschikking is volgens eiser op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister de problemen door de politieke uitingen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft zijn stellingen over zijn politieke uitingen niet met documenten onderbouwd, terwijl dit wel van hem kon worden verlangd. Dat eiser de berichten in paniek heeft verwijderd maakt dit niet anders, omdat van eiser kon worden verwacht dat hij enig bewijs van zijn politieke uitingen zou hebben bewaard om zijn asielrelaas te onderbouwen. Ook heeft eiser wisselend verklaard over de bezoeken van de veiligheidsdienst aan zijn ouders. De stellingen van eiser dat dit kwam door de spanning van het gehoor, dat hij slecht is met data en dat hij niet wist dat de minister zo zwaar zou tillen aan het aantal bezoeken doet hier niet aan af. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser het genoemde aantal bezoeken had moeten corrigeren toen hij zich na de pauze in het gehoor realiseerde dat het niet klopte, en niet pas bij de correcties en aanvullingen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Vrees voor vervolging
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat de problemen met de veiligheidsdienst ongeloofwaardig zouden zijn, en daardoor heeft de minister ten onrechte verzuimd de vrees voor vervolging van eiser te toetsen. De minister heeft daarnaast miskend dat het uiten van kritiek onder het regime van Assad te gevaarlijk was, en dat eiser daarom pas in Nederland kritiek kon uiten.
8.1.
Zoals de rechtbank onder 7.1. heeft overwogen heeft de minister de problemen met de veiligheidsdienst niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Dit betekent dat de minister de vrees voor vervolging op basis van dit asielmotief niet heeft hoeven toetsen. Ook heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers politieke overtuiging niet aan te merken is als sterk. Eiser is in Syrië niet politiek actief geweest, en ook niet in de acht jaar na het verlaten van Syrië. Ook deed hij slechts op kleine schaal en gedurende een korte periode politieke uitlatingen op social media. De beroepsgrond slaagt niet.
Reëel risico op ernstige schade
9. Eiser stelt dat er nog steeds sprake is van een burgeroorlog, en dat het nieuwe regime elk moment een nieuwe reservistendienst kan instellen. Ook wijst eiser op het nieuwe ambtsbericht, dat volgens hem de slechte en instabiele veiligheidssituatie onderschrijft. De stelling van de minister dat er slechts het laagste niveau van artikel 15c [4] in Syrië aan de orde zou zijn, acht eiser onvoldoende gemotiveerd. Ter aanvulling hierop verwijst eiser naar de UNHCR Protection Considerations van mei 2026 en een artikel van Hawar News Agency van 3 januari 2026. Ook stelt eiser dat de slechte humanitaire situatie voortvloeit uit het gewapend conflict, en dat deze ten onrechte niet is meegenomen in de beoordeling of er sprake is van een artikel 15c-situatie.
9.1.
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats al heeft geoordeeld [5] geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Uit het ambtsbericht van januari 2026 volgt niet dat de algemene veiligheidssituatie wezenlijk is verslechterd. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de minister niet uit mag gaan van een 15c-situatie in de laagste gradatie.
9.2.
Ten aanzien van het meewegen van humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026. [6] Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië en de door eiser genoemde rapporten en artikelen, in overwegende mate het gevolg zijn van handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de thans nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld.
9.3.
Ten aanzien van de stelling van eiser dat er op elk moment een nieuwe reservistendienst kan worden ingesteld oordeelt de rechtbank dat de minister terecht heeft overwogen dat de beoordeling van het reële risico op ernstige schade wordt gemaakt op basis van het huidige beleid en de beschikbare landeninformatie. Er is op dit moment geen reservistendienst in Syrië, en mogelijke toekomstige veranderingen worden niet meegenomen in de beoordeling. De beroepsgrond slaagt niet.
Dwangsom
10. Ten aanzien van de gronden over de rechterlijke dwangsom overweegt de rechtbank dat zij uit de nadere reacties van verweerder en eiser opmaakt dat niet langer in geschil is dat de rechtbank niet bevoegd is te oordelen over de rechterlijke dwangsom. [7]

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep met zaaknummer NL26.9879 is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
12. Het beroep met zaaknummer NL26.5326 is, zoals overwogen onder 3, niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep met kenmerk NL26.5326 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep met kenmerk NL26.9879 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Artikel 31, zesde lid, onder b en c Vw.
4.Artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.
5.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
7.Zie ECLI:NL:RVS:2020:1152 en ECLI:NL:RVS:5388.