ECLI:NL:RBDHA:2026:18898

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.34527
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.A. Berghuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 59c Vreemdelingenwet 2000Art. 5.5 VreemdelingenbesluitArt. 5.6, eerste lid, VreemdelingenbesluitArt. 106, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende motivering lichter middel

Eiseres is in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en voert onder meer aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel vanwege haar beschermwaardige familie- en gezinsleven.

De rechtbank oordeelt dat hoewel er sprake is van een onderduikrisico, de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen minder dwingende maatregelen toepasbaar zijn. De verwijzing naar een afwijzende verblijfsvergunning en het ontbreken van een inhoudelijke beoordeling van het beschermwaardige gezinsleven, waaronder mantelzorg aan een ernstig zieke partner, maken de maatregel onrechtmatig.

De rechtbank beveelt de opheffing van de vreemdelingenbewaring per 6 juli 2026 en kent eiseres een schadevergoeding toe van €2.200,- voor 15 dagen onrechtmatige bewaring. Tevens worden proceskosten van €1.868,- aan eiseres toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter W.A. Berghuis en griffier J.M. Pattynama.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, heft de vreemdelingenbewaring op en kent een schadevergoeding toe.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.34527
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het niet eens met die maatregel. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.1
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 19 juni 2026 heeft de minister aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd (het bestreden besluit) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.2
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, P. Veluwenkamp-Worawutputtapong als tolk en de gemachtigde van de minister.
1. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2 Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.3 De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.4 Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.5 De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.6

De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiseres:
Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
h. heeft te kennen gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
5. Weliswaar betwist eiseres dat de gronden 2a, 2r en 2s aan haar kunnen worden tegengeworpen, maar de overige niet-bestreden gronden zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een onderduikrisico bestaat. De beroepsgrond faalt.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiseres voert aan dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Eiseres heeft verklaard dat zij al een aantal jaar een relatie heeft en sinds 2022 met haar partner in Nederland samenwoont. In Thailand is zij wel gehuwd met haar
3 Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4 Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
5 Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
6 Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
partner, doch is dit niet wettelijk geregistreerd. Eiseres heeft voorts verklaard dat zij mantelzorg verleent aan haar partner, die een ernstige longziekte heeft waardoor hij beperkt is in zijn activiteiten in het dagelijks leven. Eiseres geeft aan dat in de maatregel niet ingegaan wordt op dit laatste punt. Eiseres stelt dat ze hierover wel heeft verklaard en dat dit met een medische verklaring kan worden aangetoond. Volgens eiseres bevestigt de behandelend arts in een verklaring dat eiseres mantelzorg verleent aan haar partner en acht hij het niet ethisch verantwoord om eiseres midden in het behandeltraject uit te zetten.
Vanwege het behandeltraject is de partner van eiseres momenteel op zichzelf aangewezen. Bovenstaande is volgens eiseres al bij de IND bekend, omdat dit in de lopende bezwaarprocedure ook naar voren is gebracht en onderbouwd met medische stukken.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de maatregel in dit opzicht dan ook ondeugdelijk gemotiveerd is.
6.1.
De minister stelt zich ter zitting op het standpunt dat in de maatregel terecht is verwezen naar de afgewezen aanvraag van een verblijfsvergunning met verblijfsdoel ‘verblijf als familie- en gezinslid bij [referent] ’ in de beschikking van 29 oktober 2025 (hierna: beschikking), waarbij eiseres rechtmatig verblijf bij haar partner beoogde. Volgens de minister is de medische situatie hier niet toereikend voor het opleggen van een lichter middel, aangezien volgens hemde zorg van eiseres niet exclusief is, de minister stelt dat haar partner ook een zoon en vrienden heeft die de zorg zouden kunnen dragen. Eiseres heeft dit echter betwist en stelt dat dit standpunt berust op een aanname. Tenslotte voert de minister aan dat door eiseres niet is aangevoerd dat de situatie anders is dan ten tijde van de beschikking.
6.2.
Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.7
6.2.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de bewaringsmaatregel blijkt dat de minister stelt dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven, waarbij de minister verwijst naar de beschikking waarin de IND heeft vastgesteld dat geen sprake is van beschermingswaardig familie- of gezinsleven. In de beschikking waarnaar de minister in de maatregel verwijst stelt de IND echter het volgende vast: ‘’U hebt gezinsleven met referent. Dat betekent niet dat u daarom recht hebt op een verblijfsvergunning’’. De rechtbank volgt de minister dan ook niet in zijn betoog dat een verwijzing naar een afwijzende beschikking op een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM volstaat als voldoende motivering dat niet is gebleken van beschermwaardig familie- of gezinsleven. In de maatregel heeft de minister ook niet gemotiveerd waarom dit familie- en gezinsleven niet beschermwaardig wordt geacht. Uit het proces-verbaal van het gehoor van 19 juni 2026 bij het opleggen van de bewaringsmaatregel blijkt ook dat er is gevraagd of eiseres verzorgende taken in Nederland heeft. Hierop heeft eiseres geantwoord: ‘’Ik verzorg mijn man. Deze heeft longproblemen en moet regelmatig verzorgd worden. Ik ben degene die hem 24 uur
7 De rechtbank wijst op ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
per dag verzorgt’’. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat hierop is doorgevraagd. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag, 6 juli 2026.
7.1.
Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 15 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 17 x € 120,-(verblijf detentiecentrum) = € 2.200,-.
7.2.
Eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.200,- omdat de gemachtigde van eiseres geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 2.200,- aan schadevergoeding aan eiseres, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van 6 juli 2026;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.