ECLI:NL:RBDHA:2026:1890

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL26.1294
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a VreemdelingenbesluitArt. 5.1b VreemdelingenbesluitVerordening (EU) nr. 604/2013Verordening 1560/2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring op grond van Dublinverordening en Vreemdelingenwet

Eiser, van Gambiaanse nationaliteit, werd op 8 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening en een significant risico op onderduiken.

Eiser betwistte de grondslag van de bewaring, met name of hij daadwerkelijk in Duitsland was geweest en of het Duitse claimakkoord geldig was. De rechtbank oordeelde dat er voldoende bewijs was, waaronder politiefoto's en verklaringen van eiser zelf, dat hij in Duitsland verbleef en dat Duitsland verantwoordelijk was voor zijn asielprocedure.

De rechtbank vond dat de minister terecht de bewaring had opgelegd omdat geen lichter middel effectief was, ondanks dat eiser beroep had ingesteld tegen het overdrachtsbesluit. Ook werd geoordeeld dat de minister voortvarend had gehandeld door onder meer een claimverzoek in te dienen en een overdrachtsbesluit te nemen.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.1294
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Stap),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door J.W.F. Menick, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen
J. Ankomah. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003.
Wettelijke grondslag
2. Eiser voert aan dat de grondslag van de bewaring onjuist is. Het is onzeker of eiser wel in Duitsland is geweest. Daarom is de uiterste overdrachtstermijn van de eerdere Dublinprocedure verlopen, zodat Duitsland niet langer verantwoordelijk is. Het Duitse claimakkoord van 13 januari 2026 is dan ook ongeldig. Eiser stelt verder dat de politiefoto’s waarnaar de minister verwijst onvoldoende zijn om tot de conclusie te komen dat eiser in Duitsland is geweest, omdat de foto’s niet aan het dossier zijn toegevoegd.
3. Op 20 april 2024 heeft eiser eerder een asielaanvraag in Nederland gedaan. Eiser is op 10 mei 2024 met onbekende bestemming vertrokken. Op 31 mei 2024 is Duitsland akkoord gegaan met de terugname van eiser. Bij besluit van 26 juni 2024 is de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is. Dit besluit
staat in rechte vast. Op 11 juli 2024 is de overdrachtstermijn verlengd met twaalf maanden. In de maatregel is vermeld dat uit de Duitse N-SIS-signalering volgt dat onder meer uit politiefoto’s van 7 augustus 2024 en 22 november 2024 blijkt dat eiser op dat moment in Duitsland was en de Duitse autoriteiten hiervan op de hoogte waren. Eiser heeft in het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling verklaard dat hij na zijn asielaanvraag in 2024 naar Duitsland is gegaan en pas twee weken voor zijn inbewaringstelling Nederland is ingereisd. Op 13 januari 2026 is Duitsland akkoord gegaan met de terugname van eiser. Op 15 januari 2026 heeft de minister een overdrachtsbesluit genomen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, waarvan op 27 januari 2026 de behandeling ter zitting gepland is.
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring mocht stellen. Deze wettelijke grondslag mag worden gebruikt als een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht op grond van de Dublinverordening1 én een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.2 In beroep is niet bestreden dat een dergelijk significant risico in dit geval bestaat en, zoals hieronder onder 5.1, zal worden overwogen, vindt de rechtbank ook dat dit uit de tegengeworpen gronden volgt. De rechtbank is verder, anders dan eiser stelt, van oordeel dat ten tijde van de inbewaringstelling ook sprake was van een concreet aanknopingspunt voor een overdracht op grond van de Dublinverordening. Eiser heeft eerder een asielaanvraag in Duitsland gedaan en in de eerdere asielprocedure in Nederland in 2024 is komen vast te staan dat Duitsland de verantwoordelijke lidstaat was. Hoewel ten tijde van de inbewaringstelling de uiterste overdrachtstermijn was verlopen, blijkt uit Duitse politiefoto’s van 7 augustus en 22 november 2024, dus ruim vóór het verstrijken van de overdrachtstermijn, dat eiser op die momenten in Duitsland was en Duitsland hiervan op de hoogte was. De rechtbank heeft geen reden voor twijfel hieraan, nu eiser in zijn gehoor zelf ook heeft verklaard dat hij, nadat hij in Nederland met onbekende bestemming was vertrokken, in Duitsland heeft verbleven. Verder is van belang dat uit de Dublinverordening3 en de Uitvoeringsverordening4 volgt dat overdracht ook op de wijze van vrijwillige terugkeer kan plaatsvinden. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat hiervan in dit geval zonder meer geen sprake is. Inmiddels is na de inbewaringstelling op 13 januari 2026 een claimakkoord ontvangen van de Duitse autoriteiten, wat eveneens relevant is in het kader van het bestaan van een concreet aanknopingspunt dat eiser kan worden overgedragen. Indien eiser van mening is dat dit claimakkoord en het overdrachtsbesluit niet rechtmatig zijn, kan dit in het daartegen ingestelde beroep worden aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
1. Verordening (EU) nr. 604/2013.
2 Artikel 5.1a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit.
3 Zie preambule nr. 24.
4 Verordening 1560/2003, artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a.
vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden en lichte gronden feitelijk juist zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring al dragen, zodat een risico op onderduiken reeds daarmee is gegeven.
Lichter middel
7. Eiser voert aan dat hij tegen het overdrachtsbesluit beroep en een voorlopige voorziening heeft ingediend. Aangezien eiser het beroep tegen het overdrachtsbesluit in Nederland mag afwachten, had de minister toepassing moeten geven aan een lichter middel.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit de gronden van de maatregel van bewaring en de motivering daarvan blijkt dat er sprake is van een risico op onderduiken. Daarnaast blijkt uit het dossier dat eiser al eens met onbekende bestemming is vertrokken. Dat beroep tegen het overdrachtsbesluit is ingesteld, maakt het voorgaande niet anders. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom er niet kan worden volstaan met een lichter middel zoals een meldplicht. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarendheid

9. Eiser voert aan dat de minister niet voortvarend heeft gehandeld.
10. De rechtbank stelt vast dat de minister na de inbewaringstelling heeft gevraagd om toestemming van het Openbaar Ministerie voor de overdracht van eiser, een claimverzoek heeft gedaan bij Duitsland en hierop een akkoord heeft ontvangen, op 13 januari 2026 heeft gepoogd een vertrekgesprek met eiser te voeren maar eiser niet in gesprek wilde en op 15 januari 2026 een overdrachtsbesluit heeft genomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toets

11. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.