Eiser, van Gambiaanse nationaliteit, werd op 8 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening en een significant risico op onderduiken.
Eiser betwistte de grondslag van de bewaring, met name of hij daadwerkelijk in Duitsland was geweest en of het Duitse claimakkoord geldig was. De rechtbank oordeelde dat er voldoende bewijs was, waaronder politiefoto's en verklaringen van eiser zelf, dat hij in Duitsland verbleef en dat Duitsland verantwoordelijk was voor zijn asielprocedure.
De rechtbank vond dat de minister terecht de bewaring had opgelegd omdat geen lichter middel effectief was, ondanks dat eiser beroep had ingesteld tegen het overdrachtsbesluit. Ook werd geoordeeld dat de minister voortvarend had gehandeld door onder meer een claimverzoek in te dienen en een overdrachtsbesluit te nemen.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.