ECLI:NL:RBDHA:2026:18904
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro. De minister heeft deze aanvraag op 3 november 2022 afgewezen en is bij het bezwaarbesluit van 29 juli 2025 bij die afwijzing gebleven.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met de hoofdzaak op 26 februari 2026.
Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer AWB 25/15823), achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wees het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld en uitspraak is gedaan.