ECLI:NL:RBDHA:2026:18937

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/09/686097 / FA RK 25-4076 & C/09/701290 / FA RK 26-2509
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247a BWArt. 1:251a BWArt. 1:253a BWArt. 1:253n BWArt. 1:377e BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over gezag, zorgregeling en hoofdverblijfplaats minderjarige na wijziging omstandigheden

De rechtbank Den Haag behandelde op 12 mei 2026 de gecombineerde procedures over gezag, zorgregeling, hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie van een minderjarig kind. De vader verzocht om eenhoofdig gezag en wijziging van de hoofdverblijfplaats naar zijn adres, terwijl de moeder het gezamenlijk gezag en hoofdverblijfplaats bij haar wilde behouden. De gecertificeerde instelling was niet verschenen.

De rechtbank constateerde dat het gezamenlijk gezag nog steeds mogelijk is, ondanks eerdere problemen zoals huiselijk geweld en verwaarlozing bij de moeder. De ouders communiceren inmiddels zakelijk en zijn bereid tot ouderschapsbemiddeling. De rechtbank oordeelde dat het niet in het belang van het kind is om het gezag eenzijdig toe te wijzen aan de vader en wees dit verzoek af.

De rechtbank bevestigde dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de moeder blijft, ondanks inschrijving bij de vader in de BRP, en stelde een opbouwende zorgregeling vast waarbij het kind geleidelijk 50/50 bij beide ouders verblijft. De vader werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wijziging van kinderalimentatie. De ouders werden verwezen naar een traject Ouderschapsbemiddeling om de communicatie te verbeteren.

Uitkomst: De rechtbank wijst verzoeken tot eenhoofdig gezag en wijziging hoofdverblijfplaats af en bevestigt gezamenlijk gezag met een opbouwende zorgregeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 25-4076 (bodemprocedure) en FA RK 26-2509 (art. 223 Rv Pro)
Zaaknummers: C/09/686097 (bodemprocedure) en C/09/701290 (art. 223 Rv Pro)
Datum beschikking: 9 juni 2026
Gezag, zorg- c.q. omgangsregeling, hoofdverblijfplaats, kinderalimentatie en voorlopige voorziening ex art. 223 Rv Pro
Beschikkingop het in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/686097 / FA RK 25-4076 op 2 juni 2025 ingekomen verzoek en het in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/701290 / FA RK 26-2509 op 13 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.M.E. Derks te Woerden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Minkes te Amsterdam.
Als informant wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Procedure

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/686097 / FA RK 25-4076 (bodem):
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;
  • het verweer tegen de zelfstandige verzoeken;
  • het F9-formulier van 30 april 2026 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 1 mei 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 1 mei 2026 van de zijde van de vader, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 5 mei 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen.
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/701290 / FA RK 26-2509 (art. 223 Rv Pro):
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift.
Op 12 mei 2026 zijn de zaken gevoegd op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De gecertificeerde instelling is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen op de zitting.
Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

In beide procedures:

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
- De ouders hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:247a BW een ouderschapsplan opgesteld – voor zover hier van belang – inhoudende:
- dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder;
- een zorgverdeling, waarbij [de minderjarige] de ene week van woensdag tot en met vrijdag bij de vader verblijft en de andere week van woensdag tot en met zondag;
- dat de vader een kinderalimentatie betaalt aan de moeder zolang [de minderjarige] minderjarig is en bij de moeder woont van € 292,- per maand.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 5 juni 2023 is bepaald dat de vader aan de moeder een kinderalimentatie betaalt van € 381,- per maand.
- Bij proces-verbaal van de behandeling in kort geding op 5 september 2025 zijn de ouders – voor zover hier van belang – het volgende overeengekomen:
- in afwachting van meer of andere afspraken, dan wel andere rechterlijke oordelen, komen partijen voorlopig overeen tot nader order de volgende zorgregeling te hanteren: [de minderjarige] zal bij de moeder zijn iedere maandag en dinsdag uit school en de moeder zal [de minderjarige] op maandag na het eten rond 19:15 uur bij de vader terugbrengen en op dinsdag rond 18:45 uur. Daarnaast zal [de minderjarige] bij de moeder kunnen zijn op nader tussen partijen te bepalen momenten, waaronder in het weekend. De eerste twee weken zal [de minderjarige] nog door zijn tante uit school worden gehaald en naar de moeder worden gebracht. Vanaf 22 september 2025 is de moeder gerechtigd [de minderjarige] zelf op maandag uit school te halen. De weken daarop zal [de minderjarige] ook op dinsdag door de moeder uit school worden gehaald;
- in afwachting van nadere afspraken zal [de minderjarige] voorlopig bij de vader overnachten;
- partijen zullen zich niet verzetten tegen een ondertoezichtstelling en zullen met de jeugdbeschermer die waarschijnlijk zal worden benoemd, de voormelde regeling
evalueren, waarbij zij zullen streven naar verdere opbouw van de omgang van [de minderjarige] met de moeder.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 16 september 2025 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 16 september 2025 tot 16 september 2026.

Verzoek en verweer

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/686097 / FA RK 25-4076 (bodem):
De vader verzoekt:
primair
  • te bepalen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vader;
  • het gezamenlijk ouderlijk gezag over [de minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat de vader voortaan het eenhoofdig gezag toekomt;
  • te bepalen dat een zorg- c.q. omgangsregeling geldt, inhoudende dat [de minderjarige] wekelijks gedurende een dag of dagdeel contact heeft met de moeder, waarbij de dag en de tijdstippen nader overeen kunnen worden gekomen, maar waarbij de vader als (hoofd)verzorgende ouder de doorslaggevende stem heeft;
  • te bepalen dat met ingang van 1 mei 2025 de kinderalimentatie ten laste van de vader, zoals bij beschikking van deze rechtbank van 6 juni 2023 vastgesteld, op nihil wordt gesteld;

subsidiair

- een gezag- en omgangsonderzoek door de Raad te gelasten, waarbij nader wordt onderzocht of beëindiging van het ouderlijk gezag in het belang van [de minderjarige] is en of een ontzegging van de omgang het meest in het belang van [de minderjarige] wordt geacht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de moeder zelfstandig verzocht:
  • te bepalen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder;
  • bijlage 1 van het ouderschapsplan van partijen (verdelen van de zorg- en opvoedingstaken) op te nemen in de beschikking;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/701290 / FA RK 26-2509 (art. 223 Rv Pro):
De moeder verzoekt te bepalen dat [de minderjarige] bij haar gaat overnachten op structurele basis.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een
voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Omdat de rechtbank in de
bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als waarin in de voorlopige
voorzieningenprocedure om is verzocht, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.
Bodemprocedure
Gezag
- wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In dat geval bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over het kind toekomt. Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste en derde lid, BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
- inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt om hem – met uitsluiting van de moeder – met het gezag over [de minderjarige] te belasten. Daartoe voert hij het volgende aan. In de woning van de moeder is [de minderjarige] geconfronteerd met huiselijk geweld. Ook is hij (emotioneel) verwaarloosd. Die situatie heeft een negatief effect gehad op [de minderjarige] zijn ontwikkeling. Zo was zijn gedrag op school zorgelijk en bleef hij in sociaal opzicht achter. Uiteindelijk zijn er meerdere politie- en Veilig Thuis-meldingen gedaan met betrekking tot huiselijk geweld tussen de moeder en haar partner (in het bijzijn van de kinderen) en drugs- en alcoholgebruik van de moeder. Naar aanleiding hiervan heeft Veilig Thuis een voorlopig advies opgesteld, waarin staat opgenomen dat [de minderjarige] bij zijn vader verblijft en fysiek contact heeft met zijn moeder, maar dat hij niet bij haar slaapt. Sindsdien is [de minderjarige] volgens de vader tot rust gekomen, maakt hij grote stappen in zijn ontwikkeling en lijkt hij beter in zijn vel te zitten. Daarnaast stelt de vader dat een (normale) communicatie tussen de ouders al jaren niet mogelijk is en dat zij een verschillende visie hebben op het ouderschap. Hierdoor worden gezagsbeslissingen bemoeilijkt. Gelet op het voorgaande is de vader van mening dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en dat niet valt te verwachten dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in komt.
De moeder voert verweer. Volgens de moeder zijn de zorgen van de vader en de betrokken instanties gerelateerd aan (de gebeurtenissen tijdens) de relatie met haar ex-partner. Inmiddels heeft de moeder die relatie beëindigd en heeft zij een stabiele (thuis)situatie gecreëerd. De moeder is van mening dat zij altijd degene is geweest die praktische zaken rondom [de minderjarige] regelt. Ook is zij lange tijd de primaire verzorger van [de minderjarige] geweest, omdat de vader full time werkt(e). Volgens de moeder zit [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict en is het aan de ouders om hier, al dan niet met behulp van hulpverlening, aan te werken. Daarbij stelt de moeder dat de ouders over het algemeen in staat zijn om met elkaar te communiceren. Zij staat ervoor open om de ouderrelatie te verbeteren. Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat het niet in het belang van [de minderjarige] is dat de vader met het eenhoofdig gezag over hem wordt belast.
De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt van de wet is dat de ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijk gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen.
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, is de rechtbank duidelijk geworden dat [de minderjarige] inmiddels onder toezicht is gesteld. Tot op heden is er echter nog geen (vaste) jeugdbeschermer betrokken. Desondanks hebben de ouders een manier gevonden om op een zakelijke wijze met elkaar communiceren en gezamenlijk invulling te geven aan het ouderschap. Gelet op hetgeen zich in het verleden heeft voorgedaan, prijst de rechtbank de ouders hiervoor. Daarbij is de rechtbank gebleken dat beide ouders het beste met [de minderjarige] voor hebben en dat zij bereid zijn deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling om de ouderrelatie te verbeteren, zoals hierna zal blijken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er onvoldoende grond bestaat om de vader met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten. De rechtbank zal het verzoek van de vader afwijzen.
Ouderschapsbemiddeling
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling. Het doel hiervan is om de onderlinge communicatie te verbeteren en het onderlinge vertrouwen tussen de ouders te herstellen. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Jeugdteams Leidse regio voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse regio.
De rechtbank overweegt daarbij dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie geen eindrapportage behoeft in te dienen bij de rechtbank en ook geen eindrapportage aan de Raad behoeft toe te zenden, maar alleen aan de ouders dient te rapporteren. De rechtbank zal de zaak namelijk niet aanhouden, maar zal op alle verzoeken van de ouders een eindbeslissing geven.
Wijziging zorgregeling
- wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a vierde lid in samenhang met artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake de zorgregeling alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling onder meer wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
- inhoudelijke beoordeling
De vader stelt dat hervatting van de oorspronkelijke zorgregeling, zoals partijen dat in het ouderschapsplan zijn overeengekomen, niet in het belang van [de minderjarige] is. De gebeurtenissen van de afgelopen periode hebben immers laten zien dat de moeder niet in staat is om de fysieke en emotionele veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. De vader wil dat [de minderjarige] volledig bij hem verblijft (en slaapt) en dat hij wekelijks op nader te bepalen momenten tijd met de moeder doorbrengt.
De moeder is van mening dat het contact tussen haar en [de minderjarige] goed verloopt en dat er niets aan in de weg staat om op te bouwen naar de zorgregeling, zoals de ouders dat zijn overeengekomen in het ouderschapsplan. Inmiddels heeft [de minderjarige] ook al een aantal keer bij de moeder geslapen. Daarbij valt het de moeder op dat de vader hiermee akkoord gaat als het hem uitkomt, maar dat hij hierover geen structurele afspraak wil maken, hetgeen niet in het belang van [de minderjarige] is.
De rechtbank overweegt als volgt. De ouders zijn op de kort geding-zitting van 5 september 2025 overeengekomen dat [de minderjarige] iedere maandag uit school tot (ongeveer) 19:15 uur en iedere dinsdag uit school tot (ongeveer) 18:45 uur bij de moeder is. Daarbij haalt de moeder [de minderjarige] op van school en brengt zij hem weer terug naar de vader. Ook zijn de ouders op de kort geding-zitting overeengekomen dat zij voornoemde regeling met de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling zullen evalueren, waarbij zij zullen streven naar verdere opbouw van het contact tussen de moeder en [de minderjarige] . Zoals reeds besproken is er nog geen vaste jeugdbeschermer betrokken, en is onduidelijke wanneer deze zal worden aangesteld. Wel is de rechtbank duidelijk geworden dat [de minderjarige] inmiddels al een aantal keer bij de moeder heeft geslapen en dat die momenten goed zijn verlopen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er weer moet worden toegewerkt naar een zorgregeling, waarbij [de minderjarige] 50/50 bij de ouders is, zoals zij dat ook zijn overeengekomen in het ouderschapsplan. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarmee niet worden gewacht totdat er een vaste jeugdbeschermer is aangesteld. De rechtbank zal de volgende opbouwende zorgregeling bepalen:
  • vanaf de datum van onderhavige beschikking (9 juni 2026):[de minderjarige] verblijft wekelijks op maandag uit school (waar de moeder hem in persoon ophaalt) tot dinsdag 18:00 uur (inclusief overnachting) bij de moeder, waarbij de moeder [de minderjarige] in persoon naar de vader terugbrengt. De overige tijd verblijft [de minderjarige] bij de vader;
  • vanaf 7 augustus 2026 (eindsituatie):[de minderjarige] verblijft wekelijks op maandag uit school (waar de moeder hem in persoon ophaalt) tot dinsdag 18:00 uur (inclusief overnachting) bij de moeder, waarbij de moeder [de minderjarige] in persoon naar de vader terugbrengt, alsmede om het weekend van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school (inclusief overnachtingen). De overige tijd verblijft [de minderjarige] bij de vader.
Daarbij merkt de rechtbank op dat de moeder op de zitting heeft aangegeven dat haar partner [de minderjarige] wel eens terugbrengt naar de vader, zodat zij haar andere zoontje (Rafa) naar bed kan brengen. Omdat de rechtbank het van belang acht dat [de minderjarige] in persoon wordt overgedragen aan de andere ouder, wordt de terugbrengtijd op de dinsdag om 18:00 uur bepaald. Het staat de ouders vrij om daar in onderling overleg van af te wijken, mits de moeder [de minderjarige] in persoon blijft brengen.
Hoofdverblijfplaats
- wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu tijdens de mondelinge behandeling een schikking op de voet van het vijfde lid van dat wetsartikel tussen de ouders onmogelijk is gebleken, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt.
- inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de ouders in het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. Inmiddels heeft de vader [de minderjarige] ingeschreven op zijn adres in de BRP (Basisregistratie Personen). Omdat er weer wordt toegewerkt naar een zorgregeling, waarbij [de minderjarige] 50/50 bij de ouders is, ziet de rechtbank geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader te bepalen. De rechtbank zal het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen dan ook afwijzen. Daarnaast heeft ook de moeder verzocht de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen. Omdat de ouders in het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft, en de afspraken in een ouderschapsplan in beginsel bindend zijn, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om in onderhavige beschikking expliciet te bepalen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de moeder ook afwijzen.
Hierbij merkt de rechtbank op dat van de vader wordt verwacht dat, in het geval de moeder zich tot 4 september 2026 (vier weken na 7 augustus 2026) houdt aan de opbouwende zorgregeling, inclusief de voorwaarden dat zij [de minderjarige] in persoon terugbrengt bij vader, hij meewerkt aan de inschrijving van [de minderjarige] op het adres van de moeder.
Raadsonderzoek
De vader heeft subsidiair verzocht om een gezag- en omgangsonderzoek door de Raad te gelasten. Omdat de rechtbank een eindbeslissing zal geven ten aanzien van het gezag, de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats, ziet zij geen aanleiding om een dergelijk onderzoek te gelasten. Het verzoek van de vader zal dan ook worden afgewezen.
Wijziging kinderalimentatie
- ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:401 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak
of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden
gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden
ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1) óf als de overeenkomst is aangegaan
met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5).
De rechtbank overweegt als volgt. De kinderalimentatie is in 2023 vastgesteld op € 381,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de kinderalimentatie thans € 451,- per maand. De vader heeft de kinderalimentatie de afgelopen periode niet betaald, omdat [de minderjarige] het grootste gedeelte van de tijd bij de vader doorbrengt. De moeder heeft hier ook niet om gevraagd. Omdat er weer wordt toegewerkt naar een zorgregeling, waarbij [de minderjarige] 50/50 bij de ouders is, en [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder houdt, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de kinderalimentatie kan worden gewijzigd. De rechtbank zal de vader dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie.
Omdat [de minderjarige] in ieder geval tot 7 augustus 2026 het grootste gedeelte van de tijd bij de vader verblijft, zal de kinderalimentatieplicht van de vader pas weer herleven op het moment dat de moeder zich vier weken lang (vanaf 7 augustus 2026) heeft gehouden aan de zorgregeling, inclusief daaraan hangende voorwaarden. Voorgaande betekent dat de kinderalimentatieplicht van de vader weer herleeft op 4 september 2026.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/701290 / FA RK 26-2509 (art. 223 Rv Pro):
*
wijst het verzoek af;
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/686097 / FA RK 25-4076 (bodem):
*
wijst af het verzoek van de vader ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats en het raadsonderzoek;
*
wijst af het verzoek van de moeder ten aanzien van de hoofdverblijfplaats;
*
bepaalt de volgende opbouwende zorgregeling:
  • vanaf de datum van onderhavige beschikking (9 juni 2026):[de minderjarige] verblijft wekelijks op maandag uit school (waar de moeder hem in persoon ophaalt) tot dinsdag 18:00 uur (inclusief overnachting) bij de moeder, waarbij de moeder [de minderjarige] in persoon naar de vader terugbrengt. De overige tijd verblijft [de minderjarige] bij de vader;
  • vanaf 7 augustus 2026 (eindsituatie):[de minderjarige] verblijft wekelijks op maandag uit school (waar de moeder hem in persoon ophaalt) tot dinsdag 18:00 uur (inclusief overnachting) bij de moeder, waarbij de moeder [de minderjarige] in persoon naar de vader terugbrengt, alsmede om het weekend van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school (inclusief overnachtingen). De overige tijd verblijft [de minderjarige] bij de vader.
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] , (de vader)
wonende te [adres 1] ,
en
[de moeder] , (de moeder)
wonende te [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams Leidse regio voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Jeugdteams Leidse regio, Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 - 2343 LA Oegstgeest;
*
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek ten aanzien van het wijzigen van de kinderalimentatie;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 juni 2026.