ECLI:NL:RBDHA:2026:18947

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/09/684529 / FA RK 25-3277
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:402a BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijfplaats, zorgregeling en alimentatie na echtscheiding afgewezen en kinderalimentatie nihil gesteld

Partijen zijn gehuwd geweest van 2010 tot 2018 en hebben twee minderjarige kinderen. Na de echtscheiding is een ouderschapsplan en alimentatie overeengekomen. De man verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen, de zorgregeling te laten vervallen, en de kinderalimentatie en partneralimentatie te wijzigen.

De rechtbank constateert dat de kinderen feitelijk al bij de man wonen en dat de vrouw in België verblijft. De verzoeken tot wijziging van hoofdverblijfplaats en zorgregeling worden afgewezen, mede omdat de vrouw erkent momenteel niet in staat te zijn de zorgregeling na te komen en geen uitzicht is op een woning nabij de kinderen.

De kinderalimentatie wordt op nihil gesteld met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2025, omdat de man alle kosten draagt en de vrouw nauwelijks contact heeft met de kinderen. Het verzoek tot nihilstelling van partneralimentatie wordt afgewezen omdat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn draagkracht is verminderd en de behoefte van de vrouw ongewijzigd is gebleven.

De beschikking wijzigt de eerdere beschikking van 27 augustus 2018 en verklaart de wijziging van kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad. Het verzoek van de vrouw tot wijziging van de zorgregeling wordt afgewezen en het meer of anders verzochte wordt eveneens afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank stelt de kinderalimentatie per 1 januari 2025 op nihil, wijst het verzoek tot wijziging van hoofdverblijfplaats en zorgregeling af en wijst het verzoek tot nihilstelling van partneralimentatie af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3277
Zaaknummer: C/09/684529
Datum beschikking: 9 juni 2026

Hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, alimentatie

Beschikking op het op 30 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J. van Steensel te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 26 mei 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;
  • het verweerschrift op zelfstandige verzoeken;
  • het bericht van 24 september 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 16 april 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 1 mei 2026 van de zijde van de man, met bijlagen.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben met de kinderrechter gesproken en hun mening kenbaar gemaakt.
Op 12 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man met zijn advocaat;
  • de vrouw met haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 1 december 2010 tot 17 september 2018.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1],
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] ([land]).
- Bij beschikking van deze rechtbank van 27 augustus 2018 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is het door de ouders overeengekomen convenant en ouderschapsplan aangehecht aan de beschikking. Hierin zijn partijen onder meer overeengekomen:
ouderschapsplan
“7.2. Met ingang van de datum waarop het echtscheidingsconvenant en het
ouderschapsplan door de ouders getekend zijn en zolang de kinderen minderjarig zijn, betaalt de man de vrouw een alimentatie voor de kinderen van €288,- per kind per week (circa € 1.250,- per kind per maand). Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2019.”
“7.3. Partijen dragen ieder de eigen kosten van inwoning van de kinderen wanneer zij bij hen zijn (verblijfskosten). Verblijfsoverstijgende kosten worden door de man
betaald.”
en
echtscheidingsconvenant
“2.3. Met ingang van de datum van het definitief worden van de echtscheiding zal de man aan de vrouw een bijdrage in het levensonderhoud (partneralimentatie) van
€2.000,- bruto per maand betalen.
(…)’’
“2.5 Indien de vrouw inkomsten uit arbeid gaat verwerven, zullen deze inkomsten,
zolang zij een bedrag van € 1.000,- bruto per maand niet te boven gaan, geen invloed hebben op de hoogte van de alimentatie. Indien de eigen inkomsten uit arbeid dit bedrag van € 1.000,- te boven gaan, dan wordt het meerdere voor 100% op de alimentatie gekort.”

Verzoek en verweer

De man verzoekt:
  • de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 1 mei 2025 op nihil te stellen;
  • de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2025 op nihil te stellen;
  • te bepalen dat de minderjarigen voortaan hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben en op zijn adres worden ingeschreven in de Basisregistratie Personen;
  • te bepalen dat de in het ouderschapsplan opgenomen contactregeling per datum beschikking is komen te vervallen;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt zij zelfstandig:
  • primair het verzoek van de man met betrekking tot de hoofdverblijfplaats af te wijzen, subsidiair te bepalen dat [de minderjarige 1] de hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben en [de minderjarige 2] bij de vrouw;
  • indien de man niet meer in het buitenland werkt of zal gaan werken, te bepalen dat de minderjarigen ofwel een week bij de man zijn en een week bij de vrouw, ofwel:
- maandag uit school tot woensdag naar school bij de vrouw;
- woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de man;
- vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school in de oneven weken bij de man en in de even weken bij de vrouw;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Hoofdverblijfplaats (en inschrijving BRP)
De man verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen. Hoewel de vrouw hier geen verweer tegen voert, zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen. De kinderen staan al ingeschreven op het adres van de man en wonen daar ook feitelijk, waardoor de man geen belang heeft bij zijn verzoek. Het zelfstandige verzoek van de vrouw ten aanzien van de hoofdverblijfplaats wordt eveneens afgewezen.
Zorgregeling
De man verzoekt te bepalen dat de zorgregeling, zoals opgenomen in het ouderschapsplan, per datum beschikking komt te vervallen. Gelet op het feit dat de kinderen al geruime tijd bij de man wonen, de vrouw nu in België woont en er al geruime tijd geen uitvoering wordt gegeven aan de zorgregeling wil de man vastgelegd hebben dat die regeling niet meer geldt. De man vindt het belangrijk dat de vrouw en de kinderen elkaar zien, maar kan gelet op de huidige situatie niet inschatten welke regeling de vrouw wel kan nakomen. De man vindt dat het zelfstandige verzoek van de vrouw met betrekking tot de zorgregeling afgewezen moet worden, omdat de door haar voorgestelde regeling op dit moment niet uitvoerbaar is.
De vrouw heeft zelfstandig verzocht de zorgregeling te wijzigen. Zij wil graag dat de zorg over de kinderen gelijk tussen de ouders verdeeld wordt. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat het op dit moment voor haar praktisch niet mogelijk is om de door haar verzochte regeling na te komen. De vrouw is echter voornemens om weer in Nederland te gaan wonen. De vrouw verzoekt daarom de zaak aan te houden tot het moment dat het zij een eigen woning in de omgeving van de kinderen heeft. Vanaf dat moment is de vrouw in staat de helft van de zorg op zich te nemen.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de ouders al geruime tijd geen uitvoering geven aan de bestaande zorgregeling. In de praktijk gaat het al geruime tijd zo dat de vrouw contact heeft met de kinderen als ze in Nederland is, gemiddeld twee dagen per maand. De vrouw heeft ter zitting erkend dat, hoewel zij graag meer contact met de kinderen zou willen, het voor haar op dit moment niet mogelijk is de kinderen meer te zien. De vrouw wil een co-ouderschapregeling, maar zij erkent dat daarvoor nodig is dat zij in de buurt van de kinderen woont. Ook de zorgregeling die op dit moment vastligt kan de vrouw niet nakomen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man toewijzen en het verzoek van de vrouw afwijzen. De rechtbank merkt hierbij op dat dit niet betekent dat de situatie in de toekomst niet anders zou kunnen zijn. De kinderen hebben zelf in het gesprek met de kinderrechter immers aangegeven behoefte te hebben aan meer contact met hun moeder en de man onderschrijft dat. De rechtbank ziet geen aanleiding om te denken dat de vrouw, als zij dichterbij woont, hiertoe niet in staat zou zijn. Omdat er op dit moment echter nog geen enkel reëel vooruitzicht bestaat op een eigen woning in de omgeving van de kinderen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak in afwachting daarvan aan te houden
Wijziging kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
De man beroept zich op het eerste lid van artikel 1:401 BW Pro. De wijziging van omstandigheden op grond waarvan de kinderalimentatie op nihil gesteld moet worden, is volgens hem gelegen in het feit dat de kinderen bij hem wonen, hij alle zorg voor hen en alle kosten in verband met de verzorging en opvoeding voor zijn rekening neemt.
De vrouw betwist niet dat de kinderen op dit moment bij de man wonen, maar zij vindt dat de kinderalimentatie doorbetaald moet worden.
De rechtbank stelt vast dat de omstandigheden ten opzichte van het moment dat partijen afspraken maakten over de door de man te betalen kinderalimentatie zijn gewijzigd. De kinderen wonen bij de man en de man draagt alle kosten. Zij zal daarom man ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de kinderalimentatie.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen en de kinderalimentatie op nihil stellen. Onbetwist is door de man gesteld dat de kinderen bij hem wonen en dat alle kosten van de verzorging en opvoeding al geruime tijd door hem worden gedragen. De man neemt alle kosten voor de kinderen voor zijn rekening. Er wordt geen uitvoering gegeven aan een zorgregeling, de vrouw ziet de kinderen gemiddeld twee dagen per maand en draagt niet bij in de kosten van de opvoeding en verzorging. Omdat de man al sinds januari 2025 geen kinderalimentatie meer betaalt, zoals partijen kennelijk onderling hebben afgesproken, zal de rechtbank voor de ingangsdatum van de nihilstelling aansluiten bij de door de man verzochte datum van 1 januari 2025.
Wijziging partneralimentatie
Voor de wijziging van de partneralimentatie beroept de man zich eveneens op het eerste lid van artikel 1:401 BW Pro. Dat sprake is van een wijzigingsgrond, is tussen partijen in geschil.
In de eerste plaats stelt de man dat sprake is van een wijziging van omstandigheden omdat hij zijn baan is kwijtgeraakt. De man werkte, ten tijde van het maken van de afspraken omtrent de door hem te betalen partneralimentatie, telkens vier weken op een booreiland en was daarna vier weken vrij. Nadat de vrouw gearresteerd werd heeft de man de zorg voor de kinderen op zich genomen, waardoor hij niet meer de gebruikelijke vier weken kon werken. Omdat zijn werkgever vond dat hij te veel afwezig was, is hij ontslagen, zo betoogt de man. De man heeft geen premies afgedragen in Nederland en heeft geen recht op een uitkering. Het ontbreekt hem op dit moment aan draagkracht om partneralimentatie te voldoen. In de tweede plaats heeft de vrouw volgens de man al geruime tijd eigen inkomen, of in ieder geval verdiencapaciteit, waardoor zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.
De vrouw betwist de wijziging van omstandigheden. De vrouw stelt dat niet is gebleken dat de man daadwerkelijk zijn baan is verloren. Als dat al het geval is, dan stelt de vrouw dat de man dit aan zichzelf te wijten heeft omdat hij, ook toen de vrouw in voorlopige hechtenis zat, gewoon kon doorwerken. De vrouw beschikte over een netwerk dat de kinderen kon opvangen. Daarnaast vindt ze dat de man geen openheid van zaken geeft over de achtergronden en omstandigheden rond dit ontslag. Onduidelijk is bijvoorbeeld of hij een ontslagvergoeding heeft gekregen. Het is ook niet onderbouwd en dus niet duidelijk of de man op dit moment solliciteert, terwijl hij volgens de vrouw een verdiencapaciteit heeft. De man heeft blijkens de door hem overgelegde financiële stukken een aanzienlijk vermogen. De vrouw betwist dan ook dat de man geen draagkracht zou hebben. Tot slot stelt de vrouw zich op het standpunt dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden in die zin dat zij nog steeds onvoldoende inkomen heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw werkt twee dagen in de week en doet twee dagen per week vrijwilligerswerk. De afspraak uit het echtscheidingsconvenant, waarin staat dat de partneralimentatie pas bij een inkomen van de vrouw van € 1.000,- per maand verminderd wordt, is volgens de vrouw gewoon nog van toepassing. Het verzoek van de man moet daarom afgewezen worden.
De rechtbank stelt voorop dat partijen in 2018 de behoefte van de vrouw hebben vastgesteld op € 2.000,-. De man verzoekt nu een wijziging van de partneralimentatie, omdat de vrouw zelfstandig kan voorzien in haar levensonderhoud en omdat hij niet langer de draagkracht heeft vanwege het verliezen van zijn baan. De rechtbank is van oordeel dat door de man onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Ten eerste niet omdat de behoefte van de vrouw naar het oordeel van de rechtbank niet is veranderd. Die behoefte is indertijd, onder min of meer dezelfde omstandigheden, vastgesteld op € 2.000,-. Dat de vrouw zelf in haar levensonderhoud kan voorzien en dus niet langer behoeftig is, is op geen enkele manier onderbouwd. Als de rechtbank zou aannemen dat de man zijn baan is kwijtgeraakt, waarvan de onderbouwing overigens uiterst summier is, dan nog brengt dat niet zonder meer mee dat daarmee zijn draagkracht ook zodanig is verminderd dat hij niet meer aan zijn verplichting kan voldoen. De man heeft nog inkomsten uit beleggingen, vermogen dat rendeert en huurinkomsten. Daarnaast heeft hij een verdiencapaciteit. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie afwijzen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 27 augustus 2018 – :
bepaalt dat tussen de vrouw en de minderjarigen [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] en [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] ([land]) geen zorgregeling zal gelden;
bepaalt de door de man met ingang van 1 januari 2025 te betalen alimentatie ten behoeve van de minderjarigen [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] en [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] ([land]) op nihil;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 juni 2026.