ECLI:NL:RBDHA:2026:18963

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/09/702047 / FA RK 26-2910
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling en aanhouding gezagsbeslissing in belang minderjarige met ASS

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de moeder om het eenhoofdig gezag over de minderjarige te verkrijgen en de bestaande zorgregeling te wijzigen. De vader betwistte de stellingen van de moeder en verzocht om het eenhoofdig gezag aan hem toe te wijzen, mede vanwege de speciale behoeften van de minderjarige en de wens om haar op een andere school in te schrijven.

De rechtbank constateerde dat sinds november 2025 de minderjarige bij de vader verblijft en dat er onduidelijkheid bestaat over de precieze omstandigheden van deze wijziging. Er is geen sprake van ongeoorloofd vasthouden of kindermishandeling door de vader. De minderjarige heeft kenmerken van ASS en communicatieproblemen, waardoor het belang van een zorgvuldige afweging groot is.

Gezien de onduidelijkheid over wat het beste is voor de minderjarige, besloot de rechtbank een raadsonderzoek te gelasten. Totdat dit onderzoek is afgerond, worden definitieve beslissingen over gezag, verblijfplaats, zorgregeling, schoolkeuze, alimentatie en proceskosten aangehouden. Wel is een voorlopige begeleide omgangsregeling tussen moeder en minderjarige vastgesteld om het contact te bevorderen.

De ouders zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding. De rechtbank benadrukte dat er geen zorgen zijn over de veiligheid van de minderjarige bij de moeder. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de zaak wordt voortgezet na ontvangst van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige begeleide omgangsregeling vast en houdt definitieve beslissingen over gezag en zorgregeling aan in afwachting van een raadsonderzoek.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2910 (bodemzaak) en FA RK 26/2923 (voorlopige voorzieningen)
Zaaknummer: C/09/702047 (bodemzaak) en C/09/702064 (voorlopige voorzieningen)
Datum beschikking: 9 juni 2026
Gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro

Beschikking op het op 24 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. de Bluts in Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.B. de Cocq van Delwijnen in ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de moeder;
  • het bericht van 29 april 2026, met bijlagen, namens de moeder;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken, met bijlagen, namens de vader;
De [minderjarige] heeft in een gesprek met de rechter haar mening over de verzoeken gegeven.
Op 12 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad
  • Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .
- Bij beschikking van deze rechtbank van 11 december 2024 – voor zover hier aan de orde – zijn de ouders gezamenlijk met het gezag belast en is bepaald dat [minderjarige] voortaan bij de vader zal zijn iedere vijf van de zes weekenden van vrijdagavond tot en met zondagavond.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro de rechtbank:
  • het gezag van vader over [minderjarige] te schorsen;
  • de bestaande zorgregeling te schorsen;
  • te bepalen dat vader [minderjarige] binnen twee dagen na de ten deze te wijzen beschikking naar moeder dient terug te brengen op straffe van een dwangsom van € 250,- voor elke dag of deel daarvan dat vader daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,-;
Subsidiair
- te bepalen dat [minderjarige] bij moeder is van zondagavond 18:00 uur tot vrijdagavond 18:00 uur;
Meer subsidiair
  • te bepalen dat [minderjarige] bij de moeder is van vrijdagavond 18:00 uur tot zondagavond 18:00 uur;
  • in alle gevallen verzoekt moeder een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van [minderjarige] acht.
De moeder verzoekt in de bodemprocedure de rechtbank:
  • de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten;
  • te bepalen dat er geen zorgregeling is tussen vader en [minderjarige] ;
Subsidiair
- te bepalen dat [minderjarige] bij moeder is van zondagavond 18:00 uur tot vrijdagavond 18:00 uur;
Meer subsidiair
- te bepalen dat [minderjarige] bij de moeder is van vrijdagavond 18:00 uur tot zondagavond 18:00 uur;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig de rechtbank te bepalen dat:
  • moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door moeder verzochte af te wijzen;
  • [minderjarige] voortaan haar hoofdverblijf bij vader heeft;
  • moeder en [minderjarige] eenmaal per veertien dagen contact hebben, althans een zorgregeling die uw rechtbank in goede justitie verneemt te behoren;
  • primairhet gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige] te beëindigen en vader te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] ;
  • subsidiairaan vader vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige] in te schrijven op [schoolnaam] te [plaats] ;
  • de bijdrage van vader aan moeder voor de kosten van opvoeding en verzorging voor [minderjarige] per 23 maart 2026 nihil bedraagt, althans een bijdrage en ingangsdatum die uw rechtbank in goede justitie verneemt te behoren;
  • moeder te veroordelen in de proceskosten van vader;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv Pro
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp dat in de voorlopige voorzieningenprocedure voorligt, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.
Gezag, wijziging hoofverblijfplaats en de daaruit voortvloeiende verzoeken
Standpunt moeder
De moeder stelt dat na een zorgweekend in december 2025 de vader [minderjarige] niet heeft teruggebracht naar de moeder. Dit terwijl de hoofverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder is en dit tegen de vastgestelde zorgregeling in gaat. De vader heeft hiermee [minderjarige] onttrokken aan het ouderlijk gezag van de moeder en het onmogelijk gemaakt voor haar om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. De moeder heeft geen contact met [minderjarige] en weet niet hoe zij in deze situatie staat. Gelet op het bovenstaande is het volgens de moeder niet meer in het belang van [minderjarige] dat de vader samen met de moeder belast is met het gezag over [minderjarige] .
Stanpunt vader
De vader stelt dat er geen sprake is het ongeoorloofd niet terugbrengen van [minderjarige] . In november 2025 heeft [minderjarige] aan de vader laten weten dat ze bij hem wil wonen. Hier hebben de ouders contact over gehad en uiteindelijk heeft de moeder hiermee ingestemd. De vader stelt dat de moeder moeite lijkt te hebben met het uitvoeren van de zorgtaken ten aanzien van [minderjarige] , ze komt vaak niet of te laat bij afspraken. Vader communiceert veel met [naam 2] , de oudste dochter van moeder, over zorgtaken rondom [minderjarige] . De vader acht moeder niet in staat alleen gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. Hij concludeert dat de moeder niet meer met hem het gezag wilt uitoefenen. De vader ziet gezien het voorgaande het nog als enige optie om hem met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten.
Sinds [minderjarige] bij de vader verblijft heeft de vader [minderjarige] gestimuleerd contact te hebben met de moeder. [minderjarige] weigert dit. De vader acht het in het belang van [minderjarige] dat het contact tussen de moeder en haar wordt hervat op korte termijn, maar wel op een voor [minderjarige] aanvaardbare wijze waarbij rekening wordt gehouden met haar leeftijd en haar kind eigen problematiek. Vader denkt hierbij ook dat een vorm van begeleiding tussen moeder en [minderjarige] noodzakelijk is om hun band te herstellen.
De vader verzoekt de rechtbank als zij hem niet het eenhoofdig gezag geven, vervangende toestemming te geven [minderjarige] op [schoolnaam] in te schrijven. [minderjarige] heeft speciale behoefte. Haar huidige school kan hier niet aan tegemoet komen. Ook heeft ze het niet naar haar zin op deze school. [schoolnaam] is een kleinere school die beter zal kunnen aansluiten bij de individuele behoefte van [minderjarige] en is dichter bij de woonplaats van de vader.
Beoordeling rechtbank
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. Tot november 2025 werd er uitvoering gegeven aan een zorgregeling waarbij [minderjarige] doordeweeks bij de moeder was en in het weekend bij de vader. Sinds november 2025 verblijft [minderjarige] bij de vader. De ouders hebben een andere visie op de redenen waarom [minderjarige] vanaf dit moment bij haar vader verblijft. Het is voor de rechtbank niet mogelijk om vast te stellen wat er precies gebeurd is. In ieder geval is duidelijk dat de vader [minderjarige] niet ongeoorloofd vasthoudt of er geen sprake is van een vorm van kindermishandeling door de vader, zoals de moeder in haar stukken en op de zitting heeft gesteld. Uit de berichten die de ouders naar elkaar hebben gestuurd blijkt immers dat er overleg is geweest tussen hen over de verblijfplaats van [minderjarige] . Daarnaast probeert de vader contact tussen [minderjarige] en de moeder tot stand te brengen, zo blijkt onder andere uit het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen.
Op de zitting heeft de rechtbank met de ouders besproken dat zij zich op dit moment nog onvoldoende voorgelicht acht om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen op de verzoeken van de ouders. Het is de rechtbank gebleken dat er bij [minderjarige] sprake is van kind eigen problematiek. [minderjarige] heeft kenmerken van ASS. Ook is er sprake van communicatieproblemen en spreekt ze weinig, zeker met mensen die zij niet kent. Het is de rechtbank naar aanleiding van zowel de zitting als het kindgesprek met [minderjarige] onvoldoende duidelijk geworden wat [minderjarige] wil en wat het meest in haar belang is. De rechtbank heeft daarom op de zitting met de ouders en de Raad gesproken over een raadsonderzoek. De ouders hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een raadsonderzoek. De rechtbank acht het wenselijk dat de Raad zich in het aanvullend onderzoek met name richt op de volgende vragen:
  • Welke hoofverblijfplaats is het meest in het belang van [minderjarige] ?
  • Is vaststelling van een omgangsregeling met de ouder waar [minderjarige] niet bij woont in het belang van [minderjarige] ? En zo ja, welke omgangsregeling is het meest in haar belang?
  • Ziet de Raad mogelijkheden voor en/of belemmeringen bij de gezamenlijke uitvoering van het gezag door de ouders? Wat is er nodig om eventuele belemmeringen op te heffen?
  • Welke schoolkeuze is in het meest in het belang van [minderjarige] ?
  • Dient er een vorm van hulpverlening voor [minderjarige] , dan wel voor de ouders, ingezet te worden?
  • Zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?
De rechtbank zal in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek ieder verdere definitieve beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofverblijfplaats, de omgangs- c.q. zorgregeling, de vervangende toestemming inschrijving school, de alimentatie en de proceskosten aanhouden voor zes maanden.
Op de zitting is gesproken over de vraag of gedurende de loop van het raadsonderzoek gestart moet worden met begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige] . De rechtbank ziet aanleiding een voorlopige begeleide omgangsregeling vast te stellen tussen de moeder en [minderjarige] om het contactherstel te bevorderen. De rechtbank vindt het van belang om hierbij te benoemen dat zij geen zorgen heeft over de veiligheid van [minderjarige] bij de moeder of over de moeder als ouder.
Conform het bovenstaande zal de rechtbank de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan een ouderschapsbemiddelingstraject en een omgangsbegeleidingstraject, zoals blijkt uit het aan deze beschikking gehechte proces-verbaal van doorverwijzing. Dit proces-verbaal is reeds per e-mailbericht doorgezonden aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding (hierna: Kenniscentrum) voor deelname aan ouderschapsbemiddeling en omgangbegeleiding en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal ook deze beschikking per post zenden aan het Kenniscentrum.

Beslissing

De rechtbank:
*
wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;
*
bepaalt een
voorlopige omgangsregelingtussen de moeder en de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , inhoudende dat [minderjarige] en de moeder eenmaal per week begeleide omgang zullen hebben op een neutrale plek, te bepalen door het omgangshuis, en waarbij deze omgang onder regie van het omgangshuis kan worden uitgebreid in duur, frequentie en locatie, indien dit in het belang van [minderjarige] wordt geacht;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de moeder] ,
wonende aan de [adres] , [woonplaats]
advocaat: mr. M. de Bluts in Zoetermeer,
en
[de vader] ,
wonende op een geheim adres,
advocaat: mr. C.B. de Cocq van Delwijnen in ’s-Gravenhage,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
uiterlijk op 1 december 2026 dient de Raad voor de Kinderbescherming zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op de zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling op de zitting ieder via de eigen advocaat op te roepen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofverblijfplaats, de omgangs- c.q. zorgregeling, de vervangende toestemming inschrijving school, de alimentatie en de proceskosten aan
tot 15 december 2026 forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 juni 2026.
[afbeelding proces-verbaal verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]