ECLI:NL:RBDHA:2026:18970

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/09/692567 / FA RK 25-7495
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • E.G. Nuboer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:212 BWArt. 1:253c BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag en zorgregeling na erkenning minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader tot erkenning, gezamenlijk gezag en vaststelling van een zorg-/omgangsregeling voor de minderjarige geboren in 2024. Na een DNA-onderzoek werd bevestigd dat de vader de biologische vader is, waarna de erkenning plaatsvond. De rechtbank wees het verzoek tot vervangende toestemming erkenning af omdat de erkenning inmiddels was geregeld.

De moeder werd veroordeeld in de kosten van het DNA-onderzoek, omdat de twijfel over het vaderschap bij de vader lag. De rechtbank kende het gezamenlijk gezag toe aan beide ouders, omdat geen onaanvaardbaar risico bestond dat het kind klem zou raken en beide ouders gemotiveerd zijn voor ouderschapsbemiddeling.

De zorgregeling voorziet in begeleide omgang tussen vader en kind gedurende maximaal zes maanden, met als doel onbegeleide omgang en verblijf van minimaal twee dagen per week inclusief overnachting bij de vader. Partijen zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding. De bijzondere curator is ontslagen omdat haar vertegenwoordiging niet langer nodig is.

Uitkomst: De rechtbank kent gezamenlijk gezag toe, stelt een zorgregeling met begeleide omgang vast en verwijst partijen naar ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7495
Zaaknummer: C/09/692567
Datum beschikking: 9 juni 2026

Erkenning, gezag, zorg-/omgangsregeling

Beschikking op het op 30 september 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Koenen te Rotterdam.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.G. Jagesar te Den Haag,

[minderjarige],

geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats],
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. J.C. Herweijer,
advocaat te Rijswijk,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank van 14 oktober 2025 is mr. J.C. Herweijer voornoemd, benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW Pro te vertegenwoordigen.
Bij beschikking van deze rechtbank van 2 december 2025 is een DNA-onderzoek bevolen naar het biologisch verwantschap tussen de vader en [minderjarige] en zijn de beslissingen over de vervangende toestemming erkenning, het gezag en de zorg-/omgangsregeling aangehouden.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de verzoeken, waaronder nu ook:
  • het rapport van Verilabs inzake het verwantschapsonderzoek, ingekomen op 23 januari 2026;
  • het F9-bericht van de bijzondere curator van 13 maart 2026, met bijlage;
  • het F9-bericht van 10 april 2026 van de moeder houdende een aanvullend verweerschrift.
Op 23 april 2026 is de behandeling op een zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door mr. V. de Roo als waarnemend advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Opgeroepen en niet verschenen is de bijzondere curator.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
  • het F9-bericht van de moeder van 28 mei 2026, met bijlage;
  • het F9-bericht van de vader van 4 juni 2026, met bijlage;
  • het bericht van de bijzondere curator van 5 juni 2026.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Aan de rechtbank liggen nog voor de verzoeken van de vader tot erkenning, gezag en de vaststelling van een zorg-/omgangsregeling, die inhoudt dat [minderjarige] bij de vader is:
- in de even weken van maandag 18.00 uur tot woensdag 18.00 uur;
- in de oneven weken van donderdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur.
De vader heeft op de zitting zijn verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige] ingetrokken, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.
Van de zijde van de moeder ligt nog voor: de veroordeling van de vader in de kosten van het DNA-onderzoek en de vaststelling van een omgangsregeling. De moeder heeft dit verzoek voorafgaand aan de zitting gewijzigd, in die zin dat zij nu een omgangsregeling verzoekt, waarbij het contact tussen de vader en [minderjarige] eerst onder begeleiding plaatsvindt en nadien omgang tijdens de eerste drie maanden steeds gedurende drie uur en daarna voor de duur van acht uur per week.
Verder heeft de vrouw verzocht om de vaststelling van een door de vader te betalen bijdrage aan kinderalimentatie. Dit verzoek is afgesplitst en is inmiddels geregistreerd met het kenmerk C/09/703345 FA RK 26-3735.
Vervangende toestemming erkenning
In de beschikking van 2 december 2025 is het verzoek tot vervangende toestemming erkenning aangehouden, in afwachting van de uitkomsten van een DNA-verwantschapsonderzoek tussen de vader en [minderjarige], uitgevoerd door Verilabs. Uit het rapport van DNA-onderzoek, ingekomen op 23 januari 2026, blijkt dat met een waarschijnlijkheid van meer dan 99,99% is aangetoond dat de vader de biologische vader is van [minderjarige].
Op de zitting is besproken dat de moeder geen bezwaar (meer) heeft tegen de erkenning van [minderjarige] door de vader. Aan partijen is daarom de mogelijkheid geboden om de erkenning alsnog gezamenlijk via de gemeente vast te leggen. Na de zitting heeft de rechtbank van partijen bericht ontvangen dat de erkenning heeft plaatsgevonden, vergezeld van een nieuwe geboorteakte met daarop de latere vermelding van de erkenning. De vader heeft hierdoor geen belang meer bij vervangende toestemming erkenning en de rechtbank zal zijn verzoek afwijzen.
Kosten DNA-onderzoek
De moeder heeft verzocht om te bepalen dat de vader wordt veroordeeld in de kosten van het DNA-onderzoek. De factuur van Verilabs van 21 januari 2026 bedraagt € 755,-, inclusief btw. Nu alleen bij de vader twijfels bestonden over zijn verwekkerschap en deze vraag naar aanleiding van het DNA-rapport bevestigend moet worden beantwoord, zal de rechtbank hem veroordelen in de kosten van het DNA-onderzoek.
Gezag
De vader heeft verzocht om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten. Op grond van artikel 1:253c, lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Op grond van lid 2 van dit artikel wordt, indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder daarmee niet instemt, het verzoek slechts afgewezen indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank overweegt allereerst dat gezamenlijk gezag en gelijkwaardig ouderschap het uitgangspunt is. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van de hiervoor genoemde uitzonderingsgronden. Hoewel volgens de moeder de communicatie tussen partijen onvoldoende is voor gezamenlijk gezag, is tegelijkertijd gebleken dat er in de basis overleg tussen partijen mogelijk is en dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] in de afgelopen tijd steeds bij de moeder thuis plaatsvond. Uit hetgeen de vader naar voren heeft gebracht, leidt de rechtbank met name af dat hij meer betrokken wil zijn bij (beslissingen over) [minderjarige]. De vader heeft daarbij mogelijk wat onhandige stappen gezet, maar deze lijken te zijn gelegen in een poging om meer te weten te komen over [minderjarige] in plaats van in het tegenwerken van beslissingen. Daarnaast is gebleken dat beide partijen gemotiveerd zijn voor een traject ouderschapsbemiddeling, zoals hierna bij de zorg-/omgangsregeling nader aan de orde komt. Dit traject biedt bij uitstek de mogelijkheid om het ouderschap (en gezamenlijk gezag) verder in te vullen en het vertrouwen in de ander als ouder op te bouwen. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen en partijen gezamenlijk belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Aangezien in het voorgaande is gebleken dat het verzoek van de vader om mede met het gezag over [minderjarige] te worden belast, wordt toegewezen, spreekt de rechtbank in navolgende steeds over een zorgregeling.
De vader heeft verzocht om een zorgregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen.
Hij ziet [minderjarige] op dit moment gedurende een dagdeel (drie uur) per week bij de moeder thuis, maar dit vindt hij veel te weinig. De vader geeft de voorkeur aan een co-ouderschapsregeling, zodat hij een volwaardig ouder kan zijn en een goede band met [minderjarige] kan opbouwen. Het liefst wil hij contact met [minderjarige] zonder begeleiding en bij de vader thuis, maar als begeleide omgang een periode nodig is om de moeder gerust te stellen, zal de vader daaraan meewerken.
De moeder ziet onbegeleid contact tussen de vader en [minderjarige] niet zitten. In de afgelopen periode zijn er tijdens het contact met de vader verschillende veiligheidsincidenten geweest. [minderjarige] is bijvoorbeeld op zijn hoofdje is gevallen en de vader wilde hem bij een andere gelegenheid een proteïnedrankje geven. Zij heeft hierdoor geen vertrouwen in de vader als opvoeder en is van mening dat het contact eerst onder begeleiding van een professionele instantie moet plaatsvinden.
Evenals de moeder is de rechtbank van oordeel dat de omgang eerst begeleid moet plaatsvinden, zodat de vader kan wennen aan de zorg voor [minderjarige] en meer ervaring kan ontwikkelen in de vaardigheden die daarbij komen kijken. De begeleiding van een professionele instantie biedt daarbij aan de vader de mogelijkheid om zich vrijer te bewegen dan bij de moeder thuis en meer te profiteren van de tips die hij daarbij krijgt, zonder dat hij zich door de moeder bekritiseerd voelt. Indien de begeleide omgang goed verloopt en de begeleidende instantie dit ook aan de moeder terugkoppelt, zal dit ook haar vertrouwen in de vader doen groeien.
Op de zitting is met partijen gesproken over de mogelijkheden van omgangsbegeleiding en ouderschapsbemiddeling, zoals bij het gezag al kort aan de orde is gekomen. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan de trajecten ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap en omgangsbegeleiding. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank ziet daarbij een (begeleid) contact voor zich, waarbij het contact tussen de vader en [minderjarige] gedurende maximaal zes maanden onder begeleiding plaatsvindt. Binnen die periode kan worden toegewerkt naar onbegeleide omgang in de thuissituatie bij de vader. De rechtbank legt daarbij de regie bij de omgangsbegeleiding en ouderschapsbemiddelaar, in samenspraak met de ouders. De rechtbank acht uiteindelijk een zorgregeling waarbij [minderjarige] gedurende minimaal twee dagen per week, inclusief een overnachting, bij de vader verblijft passend, mede gelet op zijn leeftijd en het gegeven dat [minderjarige] niet eerder langdurig bij de vader heeft verbleven. De vader heeft dan de mogelijkheid om op een gelijkwaardige manier een ouder te zijn voor [minderjarige]. Een termijn van een jaar voor een opbouw naar deze regeling (inclusief de begeleide omgang) acht de rechtbank daarbij reëel. De rechtbank zal het verzoek van de vader tot vaststelling van een verdeling van de vakanties en feestdagen afwijzen, nu een beslissing daarover op dit moment nog te vroeg is. De rechtbank geeft partijen daarover nog het volgende mee. Weliswaar is de stap van begeleide omgang naar onbegeleid verblijf bij de vader in de vakanties gedurende meerdere weken voor nu nog te groot, maar als de begeleide omgang goed verloopt, is naar het oordeel van de rechtbank tegen verdeling van de vakanties en feestdagen geen bezwaar. De verdeling van deze dagen is bij uitstek een onderwerp dat partijen in het traject ouderschapsbemiddeling kunnen invullen. Indien partijen tijdens de ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding tot andere afspraken komen, dan is dat uiteraard mogelijk.
De rechtbank zal partijen bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.
Ontslag bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats];
bepaalt dat tussen de vader en [minderjarige] een zorgregeling zal gelden, waarbij:
  • het contact tussen hen gedurende maximaal zes maanden plaatsvindt onder begeleiding van een professioneel instantie, waarbij toegewerkt kan worden naar onbegeleide omgang in de thuissituatie van de vader;
  • de regie voor de uitbreiding en opbouw van het contact bij de omgangsbegeleiding en ouderschapsbemiddelaar ligt, in samenspraak met de ouders;
  • uiteindelijk wordt toegewerkt naar een zorgregeling waarbij [minderjarige] twee dagen in de week, inclusief overnachting, bij de vader verblijft;
stelt vast dat de ouders, te weten:

[de vader],

de vader,
wonende te [woonplaats] aan de [adres];
en

[de moeder],

de moeder,
wonende op een geheim adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan de trajecten Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) Ouderschap en Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
stelt vast dat partijen bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.G. Nuboer, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.