ECLI:NL:RBDHA:2026:18973

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/09/702431 / FA RK 26-3162
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding beslissing zorgregeling en hoofdverblijfplaats minderjarige kinderen in afwachting van raadsonderzoek

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling en hoofdverblijfplaats van twee minderjarige kinderen, waarbij tevens een raadsonderzoek werd gevraagd. De ouders zijn voormalig geregistreerd partners en oefenen gezamenlijk gezag uit. De kinderen verblijven momenteel bij de moeder, maar de vader wenst een aanpassing van de zorgregeling vanwege zorgen over het welzijn van de oudste minderjarige, die fysieke en psychische klachten vertoont.

De moeder verzet zich tegen wijziging van de hoofdverblijfplaats en pleit voor het behoud van de huidige regeling, met aanvullende voorstellen voor communicatieverbetering en het benoemen van een kindbehartiger. De rechtbank constateert dat de zorgregeling tot op heden wordt nageleefd, maar acht zich onvoldoende voorgelicht om een definitieve beslissing te nemen.

Daarom wordt een raadsonderzoek gelast dat zich richt op de belangen van beide kinderen, de zorgregeling, eventuele hulpverlening en overige relevante factoren. De rechtbank wijst verzoeken tot benoeming van kindbehartigers en het opleggen van een dwangsom af. Tevens worden de ouders verwezen naar een ouderschapsbemiddelingstraject om de communicatie en samenwerking te verbeteren.

De beslissing over de zorgregeling, hoofdverblijfplaats en alimentatie wordt aangehouden tot uiterlijk 15 december 2026, na ontvangst van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank benadrukt het belang van een zorgvuldige afweging in het belang van de kinderen en het voorkomen van onnodige wijzigingen voorafgaand aan het onderzoek.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over zorgregeling, hoofdverblijfplaats en alimentatie aan en gelast een raadsonderzoek; verzoeken tot kindbehartiger en dwangsom worden afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-3162
Zaaknummer: C/09/702431
Datum beschikking: 9 juni 2026
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, hoofdverblijfplaats, hulpverlening en dwangsom

Beschikking op het op 31 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.A. Tuls in Schoonhoven.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.T.W. Laureau in Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;
  • het verweerschrift, met bijlagen, en zelfstandig verzoeken namens de moeder;
  • de brief van 6 mei 2026, met bijlagen, namens de moeder;
- de brief van 10 mei 2026, met bijlage, namens de vader.
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft in een gesprek met de rechter haar mening over de verzoeken gegeven.
Op 12 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en M. Holtes namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • De vader en de moeder zijn geregistreerd partner geweest van 24 april 2018 tot 8 augustus 2022.
  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats 2] .
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.
  • De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt de rechtbank – na wijziging – :
Primair
  • te bepalen dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hun hoofverblijfplaats zullen hebben bij de vader;
  • wijzigen van de tussen ouders in onderling overleg overeengekomen zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , in die zin dat zij om het weekend van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de moeder verblijven dan wel een zorgregeling te bepalen zoals Uw Rechtbank deze passend acht;
  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
  • een deskundige te bevelen ter beantwoording van de volgende vragen:
- wilt u in de gesprekken met [de minderjarige 1] en/of haar ouders in kaart brengen welke risicofactoren en beschermende factoren er zijn voor [de minderjarige 1] om een onbelast contact met haar moeder te hebben?;
- welke zorgregeling tussen de kinderen en moeder is het meest in het belang van de kinderen?;
- is er hulpverlening nodig om onbelast contact tussen moeder en [de minderjarige 1] mogelijk te maken? Zo ja, welke hulpverlening zou u adviseren?;
- in hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn voor de ontwikkeling en opvoeding van [de minderjarige 1] en/of [de minderjarige 2] ?;
- zijn er overige opmerkingen die voor de rechtbank van belang zijn?
- te benoemen tot deskundige:
- een kindbehartiger, zoals [kindbehartiger 1] ( [naam 1] , [adres 1] );
- de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] en/of [de minderjarige 2] met ingang van de datum van wijziging van de zorgregeling op nihil te stellen, dan wel op een zodanig bedrag als Uw Rechtbank in goede justitie meent te behoren;
Subsidiair
- een Raadsonderzoek te gelasten een onderzoek in te stellen en te rapporteren en adviseren over de volgende vragen:
- welke zorgregeling wordt het meest in het belang geacht voor [de minderjarige 1] en/of [de minderjarige 2] ?;
- is hulpverlening nodig? Zo ja, welke, ten behoeve van wie en met welk doel?;
- welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in de rapportage en het advies te vermelden?;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig de rechtbank:
  • te bepalen dat de bestaande co-ouderschapsregeling en de daarin opgenomen zorgregeling strikt door beide ouders dienen te worden nagekomen, met bepaling dat de man een dwangsom verbeurt van € 250,- per dagdeel waarin hij niet meewerkt aan de nakoming van de zorgregeling, zulks tot een maximum van € 10.000,-, een en ander zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
  • te bepalen dat ouders deelnemen aan een begeleid communicatietraject bij een door de rechtbank aan te wijzen neutrale en daartoe geëquipeerde instantie, met als doel de onderlinge communicatie en samenwerking als ouders te verbeteren en de druk bij de minderjarige [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] weg te nemen;
  • [naam 2] , verbonden aan [kindbehartiger 2] ”, te benoemen als kindbehartiger voor de minderjarige [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , met de opdracht om in overleg met [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en beide ouders, de minderjarigen een onafhankelijke en vertrouwelijke plek te bieden om hun beleving en wensen te uiten, en om met de ouders te bespreken waar de kinderen in de thuissituatie bij beide ouders tegenaan lopen, en daarover desgevraagd schriftelijk aan de rechtbank te rapporteren.
  • voorwaardelijk, uitsluitend indien uw Rechtbank wijziging van de zorgregeling en/of hoofdverblijfplaats overweegt, het onder D genoemde raadsonderzoek dan wel deskundigenonderzoek te gelasten;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

De ouders hebben onderling een zorgregeling afgesproken waarbij de kinderen op maandag en dinsdag bij de vader verblijven, op woensdag en donderdag bij de moeder en de weekenden afwisselend bij de ouders doorbrengen. Dit is niet schriftelijk vastgelegd, maar hier wordt wel in praktijk uitvoering aangegeven. Op de zitting is gebleken dat ondanks de complexe situatie er tot op heden uitvoering wordt gegeven aan de zorgregeling.
Wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a tweede lid onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van sub b van dit lid de rechtbank beslissen bij welke ouder het kind zijn of haar hoofdverblijfplaats heeft.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en dat wat op zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. De ouders hebben zorgen om [de minderjarige 1] . [de minderjarige 1] heeft fysieke klachten waaronder buikpijn, slecht eten en paniek- en angstaanvallen. Over de jaren heen is er verschillende hulpverlening voor [de minderjarige 1] ingezet. Zo heeft [de minderjarige 1] paardentherapie, healingsessies en faalangsttraining gehad, heeft zij een KIES-traject gevolgd naar aanleiding van de scheiding van de ouders, heeft ze gesprekken gehad met de schoolmaatschappelijk werker en is er op dit moment ook hulpverlening vanuit de gemeente betrokken bij het gezin. Op 25 maart 2025 heeft een incident plaatsgevonden waarbij [de minderjarige 1] zou hebben geweigerd naar de moeder te gaan.
De vader stelt dat [de minderjarige 1] sinds de zomervakantie van 2025 aangeeft [de minderjarige 1] dat zij zich niet fijn voelt bij haar moeder en last heeft van de ruzies en spanningen tussen de moeder en haar nieuwe partner. Ze voelt zich niet gezien en buitengesloten. Op de zitting heeft de vader aangegeven dat hij [de minderjarige 1] rust wil geven door de zorgregeling tijdelijk aan te passen zodat [de minderjarige 1] meer bij hem is. Vanuit die rust kan er, met behulp van hulpverlening, toegewerkt worden naar het herstellen van het vertrouwen en het verbeteren van de band tussen [de minderjarige 1] en de moeder. Vervolgens kan er toegewerkt worden naar een uitgebreidere zorgregeling, die voor [de minderjarige 1] veilig en prettig is.
De moeder heeft een andere visie op de kind eigen problematiek van [de minderjarige 1] . De moeder maakt zich zorgen dat [de minderjarige 1] de ruimte krijgt om te kiezen waar zij wil verblijven, terwijl ouders deze verantwoordelijkheid naar haar mening moeten nemen. Ze is bang dat [de minderjarige 1] wordt belast met volwassenzaken over de zorgregeling en dat [de minderjarige 1] het gevoel krijgt te moeten kiezen tussen haar ouders. De moeder maakt zich zorgen over het loyaliteitsconflict waar [de minderjarige 1] zich in bevindt. Ze denkt dat de vader de kinderen te weinig emotionele toestemming geeft om bij de moeder te zijn, omdat wisselmomenten op school geen problemen geven. Ze acht het van groot belang dat de kinderen ervaren dat hun ouders de verantwoordelijkheid dragen voor de zorgregeling.
Op de zitting heeft de rechtbank met de ouders besproken dat de rechtbank zich op dit moment nog onvoldoende voorgelicht acht om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen op de verzoeken van de ouders. De rechtbank heeft daarom op de zitting met de ouders en de Raad gesproken over een raadsonderzoek. De ouders hebben op de zitting aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een raadsonderzoek. De rechtbank acht het wenselijk dat de Raad zich in het aanvullend onderzoek niet enkel op [de minderjarige 1] richt, maar ook op haar broertje [de minderjarige 2] en zich met name richt op de volgende vragen:
  • welke hoofverblijfplaats is het meest in het belang van de kinderen?;
  • welke zorgregeling tussen de kinderen en de ouders is het meest in het belang van de kinderen?;
  • is er hulpverlening nodig om onbelast contact tussen de kinderen en de ouders mogelijk te maken? Zo ja, welke hulpverlening zou u adviseren?;
  • is er verdere hulpverlening nodig? Zo ja, welke, ten behoeve van wie en met welk doel?;
  • zijn er overige opmerkingen die voor de rechtbank van belang zijn?
De rechtbank zal in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek ieder verdere definitieve beslissing ten aanzien van de hoofverblijfplaats, de zorgregeling en de alimentatie aanhouden voor een periode van zes maanden.
De rechtbank ziet geen aanleiding om gedurende de loop van het raadsonderzoek de zorgregeling tijdelijk te wijzigen. De rechtbank overweegt dat er een raadsonderzoek is gelast naar onder andere de zorgregeling. De rechtbank wil de uitkomst daarvan afwachten voordat zij kan vaststellen wat er nu precies in het belang van de kinderen is. In ieder geval vindt de rechtbank het niet in het belang van de kinderen om nu tijdelijk een regeling vast te stellen die na het onderzoek mogelijk weer wordt gewijzigd.
Hulpverlening
De ouders hebben over en weer diverse verzoeken gedaan omtrent hulpverlening waaronder het benoemen van kindbehartigers. Op de zitting is met de ouders besproken dat dit geen hulpverlening is waar deze rechtbank de ouders of de kinderen naar door kan verwijzen. Hierom zal de rechtbank deze verzoeken afwijzen. Het staat de ouders vrij om in onderling overleg zelf deze hulpverlening voor de kinderen in te schakelen.
Doorverwijzing UHA
Op de zitting is met de ouders gesproken over ouderschapsbemiddeling. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de verstandhouding tussen de ouders verstoord is en dat het de ouders op dit moment niet goed lukt om samen afspraken te maken over de kinderen. De rechtbank begrijpt uit hetgeen de ouders hebben verteld dat zij hier allebei wel aan willen werken.
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal de ouders daarom in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking zenden aan Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
Dwangsom
De rechtbank ziet geen aanleiding om de door moeder verzochte dwangsom op te leggen. De ouders hebben op de zitting aangegeven dat de zorgregeling tot op heden wordt nagekomen. De rechtbank gaat ervanuit dat de ouders dit blijven doen en zal het verzoek ten aanzien van de dwangsom afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader] ,
wonende aan de [adres 2] ,
advocaat: mr. M.A. Tuls in Schoonhoven,
en
[de moeder] ,
wonende aan de [adres 3] ,
advocaat: mr. E.T.W. Laureau in Den Haag,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo voor deelname aan het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
uiterlijk op 1 december 2026 dient de Raad voor de Kinderbescherming zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op de zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling op de zitting ieder via de eigen advocaat op te roepen;
*
wijst af de verzoeken van de ouders tot het benoemen van een kindbehartiger;
*
wijst af het verzoek tot dwangsommen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofverblijfplaats, de zorgregeling en de alimentatie aan
tot 15 december 2026 forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 9 juni 2026.