ECLI:NL:RBDHA:2026:18977

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/09/606086 / FA RK 21-302
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:253c BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gezamenlijk gezag en ontzegging omgang vader met minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind en een omgangsregeling. Na een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming waarin werd vastgesteld dat het kind ernstige bezwaren heeft tegen omgang met de vader en dat omgang schadelijk is voor haar ontwikkeling, besloot de rechtbank zonder mondelinge behandeling.

Uit het raadsrapport bleek dat het kind getuige was geweest van geweldsincidenten tussen de ouders en sindsdien angst en stress ervaart bij omgang met de vader. De moeder steunde het rapport en het verzoek van de vader werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het belang van het kind voorop staat en dat omgang met de vader op dit moment niet verantwoord is.

Ook het verzoek tot gezamenlijk gezag werd afgewezen vanwege de verstoorde communicatie tussen ouders en het feit dat de vader onvoldoende zicht heeft op de behoeften van het kind. De rechtbank benadrukte dat gezamenlijk gezag alleen in het belang van het kind is als ouders in staat zijn tot goede samenwerking, wat hier niet het geval is.

De beschikking ontzegt de vader het recht op omgang zonder termijn, met de mogelijkheid tot hernieuwd verzoek na een jaar of bij gewijzigde omstandigheden. De kosten worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen en vader ontzegd het recht op omgang met de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 21-302
Zaaknummer: C/09/606086
Datum beschikking: 9 juni 2026

Gezag en omgang

Beschikking op het op 14 januari 2021 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. van den Hoek in Leiden .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Rijsdam in Leiden .

Procedure

Bij beschikking van 22 oktober 2025 van deze rechtbank is een beslissing ten aanzien van het gezag, de omgangsregeling en de proceskosten aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
- het raadsrapport van 6 maart 2026, met kenmerk KZ-1-68NQAFG;
- het bericht van 13 april 2026 van de moeder;
- het bericht van 14 april 2026 van de vader.
Gelet op de berichten van partijen 13 april 2026 en 14 april 2026 heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling een beslissing te nemen op de voorliggende verzoeken.

Beoordeling

Raadsrapport – omgang
Uit het raadsrapport blijkt dat [minderjarige] in het verleden veel heeft meegemaakt, waarbij zij onder andere meermaals getuige is geweest van geweldsincidenten tussen partijen. De Raad constateert dat er nog steeds sprake is van veel spanningen tussen partijen, waardoor [minderjarige] belemmerd wordt zich vrij en onbevangen te ontwikkelen. [minderjarige] ervaart gevoelens van angst richting de vader en uit daarbij al geruime tijd ernstige bezwaren tegen een omgangsregeling met de vader. Omgang met de vader levert bij [minderjarige] bovendien veel spanning op die zich onder andere uit in het hebben van nachtmerries, bedplassen, een verhoogde waakzaamheid, gespannen en moe op school komen en het laten zien van boosheid als er over de vader wordt gesproken. Sinds [minderjarige] geen omgang meer met de vader heeft, ervaart zij rust. De Raad ziet dan ook geen mogelijkheden om het contact tussen [minderjarige] en de vader op korte termijn te herstellen. De Raad concludeert dat er op dit moment bezwaren zijn in de zin van artikel 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) die in de weg staan aan het contact tussen de vader en [minderjarige] . [minderjarige] wordt volgens de Raad immers in haar ontwikkeling geschaad tijdens, voor en na de omgang met de vader, omdat zij hierdoor last heeft van stress, spanningen en fysieke klachten.
De moeder stelt zich te kunnen vinden in het raadsrapport. Volgens haar dienen de verzoeken van de vader ten aanzien van het gezag en de omgangsregeling te worden afgewezen.
Hoewel de vader zich niet kan vinden in het raadsrapport, heeft hij genoeg van de jarenlange strijd met de moeder en refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank.
Op grond van artikel 1:377a BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders. De rechter stelt op verzoek van de ouders of een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Zoals eerder in deze beschikking overwogen, blijkt uit de stukken dat er in het verleden veel tussen partijen is gebeurd. [minderjarige] heeft hier veel van meegekregen, maar lijkt inmiddels rust te hebben gevonden sinds zij geen contact meer met de vader heeft. De rechtbank acht het van belang dat de positieve ontwikkeling die [minderjarige] nu laat zien, wordt voortgezet. In het licht van het bovenstaande ziet de rechtbank dan ook aanleiding om de vader het recht op omgang te ontzeggen. Het verzoek van de vader om vaststelling van een omgangsregeling zal daarom worden afgewezen.
De rechtbank verbindt geen termijn aan de ontzegging. Een ontzegging van het recht op omgang tussen ouder en kind heeft namelijk volgens vaste jurisprudentie een in de tijd beperkt karakter. In ieder geval kan na een periode van een jaar, of als de omstandigheden wijzigen ook eerder, een nieuw verzoek tot vaststelling van de omgang worden ingediend (zie HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5045).
Gezag
Uit artikel 1:253c BW volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Uitgangspunt van de wetgever is dat gezamenlijk gezag in het belang van het kind is, hetgeen erop neer komt dat slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat één van de ouders met het gezag is of wordt belast. Voor gezamenlijk gezag is in het algemeen vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen.
De rechtbank stelt voorop dat uit de stukken blijkt dat de verstandhouding tussen partijen verstoord is. Ook is gebleken dat [minderjarige] richting de vader een grote weerstand heeft opgebouwd. Dit heeft ertoe geleid dat er al langere tijd geen omgang tussen [minderjarige] en de vader plaatsvindt, waardoor de vader een zeer beperkte rol in het leven van [minderjarige] speelt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij hierdoor onvoldoende zicht op wat de behoefte van [minderjarige] is en welke beslissingen in haar belang moeten worden geacht. Samen met het gegeven dat de communicatie tussen partijen verstoord is, leidt dit tot het oordeel dat gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] moet worden geacht. Gelet op de aanzienlijke periode waarin partijen procederen, heeft rechtbank niet de verwachting dat de huidige situatie op korte termijn zal verbeteren. Om deze reden zal de rechtbank het verzoek van de vader ten aanzien van het gezag afwijzen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2025 – :
ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.