ECLI:NL:RBDHA:2026:19002

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/09/695025 / JE RK 25-2008
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWBesluit gezagsregisters
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Den Haag heeft op 9 juni 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen tot 16 januari 2027. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging vanwege ernstige zorgen over de opvoedsituatie en het welzijn van de kinderen, mede door het ontbreken van contact en medewerking van de ouders.

De feiten tonen aan dat de moeder het ouderlijk gezag heeft en de kinderen bij de vader wonen, die geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Hulpverleningstrajecten gericht op echtscheiding, omgangsregeling en gezinscoaching liepen spaak door het uitblijven van medewerking van beide ouders. School signaleerde zorgelijke omstandigheden zoals vermoeidheid, absenties en het ontbreken van eten bij de kinderen.

De kinderrechter constateerde dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende effect heeft vanwege de afhoudende houding van de ouders. De ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk om de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen wordt verlengd tot 16 januari 2027 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/695025 / JE RK 25-2008
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Gouda,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
- [minderjarige 3]geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
- [minderjarige 4]geboren op [geboortedatum 3] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 4] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
feitelijk verblijvende bij de oma vaderszijde.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verlengd tot 16 juli 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 15 januari 2026 en de daarin genoemde stukken;
- schriftelijke update van gecertificeerde instelling met bijlage van 27 mei 2026.
1.3.
Op 9 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen bij hun vader.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het aangehouden deel van dit verzoek strekt tot een verlening van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het aangehouden deel van het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. De gecertificeerde instelling maakt zich in toenemende mate zorgen over de algehele opvoedomstandigheden en de stabiliteit van de thuissituatie. Na beëindiging van de eerdere hulpverlening is sinds eind december 2025 [hulpverlener] betrokken bij het gezin. Vanuit [hulpverlener] is ingezet op een breed hulpverleningstraject gericht op de echtscheidingssituatie en omgangsregeling, gezinscoaching bij beide ouders en de inzet van kindcoaches voor beide kinderen. Ondanks de inzet van [hulpverlener] , terugkoppelingen en een schriftelijke aanwijzing aan de moeder vanuit de gecertificeerde instelling, is er geen duurzame samenwerking ontstaan. Op 22 mei 2026 heeft [hulpverlener] vanwege het uitblijven van contact en medewerking vanuit de vader en de moeder de opdracht terug moeten geven aan de gecertificeerde instelling. [hulpverlener] heeft geen volledig en betrouwbaar beeld kunnen krijgen van de veiligheidssituatie binnen het gezin. Er is nauwelijks voortgang geboekt in het doorbreken van patronen of het verbeteren van de opvoedsituatie. School meldt zorgelijke signalen over de kinderen, waaronder zichtbare vermoeidheid bij de kinderen, absenties en het ontbreken van broodtrommels. Er zijn aanwijzingen dat de kinderen zich niet vrij voelen om open te spreken over hun thuissituatie, wat duidt op mogelijke loyaliteitsproblematiek en emotionele onveiligheid. Uit uitspraken die de kinderen hebben gedaan volgt dat het ontbreekt aan structuur en regels. Vanuit school zijn er afspraken bij een diëtist geregeld voor [minderjarige 2] , maar hier zijn de moeder en de vader niet verschenen. Er is een gebrek aan zicht op het welzijn van de kinderen, omdat er geen hulpverlening is en de gecertificeerde instelling ook geen contact krijgt met de vader en de moeder. De moeder laat een vermijdende en afhoudende houding zien richting hulpverlening en toont onvoldoende bereidheid tot constructieve samenwerking. Ook de WMO-begeleider, die lange tijd als enige bij de moeder thuiskwam, kwam niet meer met de moeder in contact en is niet langer betrokken. De situatie van de vader is instabiel doordat hij geen zelfstandige huisvesting heeft, schulden heeft en veel stress ervaart. Op de dag van de zitting heeft de jeugdbeschermer met school gebeld. De ouders waren niet bereikbaar voor school, de kinderen hadden geen eten mee en een van de kinderen was zonder afmelding niet op school verschenen. De vader heeft na contact met school aan de jeugdbeschermer een e-mail gestuurd waaruit volgt dat de vader sinds de week voor de zitting met de kinderen bij oma vaderszijde verblijft. Hier was de gecertificeerde instelling nog niet van op de hoogte en er zal zo snel mogelijk een huisbezoek worden gebracht. De gecertificeerde instelling denkt dat de vader gedurende een kortere periode mogelijk beter in staat is om de kinderen structuur aan te bieden met behulp van oma vaderszijde, maar in het verleden is gebleken dat hij dit niet lang volhoudt. Onduidelijk is hoe lang de oma vaderszijde hem kan helpen.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
4.2.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De zorgen over de kinderen en de opvoedsituatie nemen steeds verder toe. Wegens het ontbreken van contact met de vader en de moeder stagneert de hulpverlening en is er momenteel weinig zicht op het welzijn van de kinderen. Vanuit school worden er zorgelijke signalen over de kinderen gedeeld, onder meer ten aanzien van absenties, vermoeidheid bij de kinderen, het ontbreken van meegebracht eten en het gebrek aan regels en structuur. Ook zijn er grote zorgen over de gezondheid van [minderjarige 2] . Ter zitting is duidelijk geworden dat de vader zou hebben aangegeven dat de kinderen sinds korte tijd bij de vader en oma van vaderszijde verblijven, zonder dat de gecertificeerde instelling hiervan op de hoogte was. Onduidelijk is wat de aanleiding is geweest voor deze overgang en wat de invloed hiervan is geweest op de kinderen. De ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de vader en de moeder niet duurzaam meewerken aan hulpverlening en langere tijd uit contact zijn geweest met de gecertificeerde instelling. Het is positief dat de vader de gecertificeerde instelling uiteindelijk heeft geïnformeerd en dit mogelijk een opening biedt om meer zicht te krijgen op het welzijn van de kinderen. Het is noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling de komende periode betrokken blijft om te onderzoeken waar de kinderen nu feitelijk verblijven, hoe het met de kinderen gaat, welke hulpverlening de kinderen en hun ouders nodig hebben en hoe ervoor gezorgd kan worden dat afspraken met de hulpverlening doorgang zullen vinden.
4.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voor de duur van (de resterende) zes maanden.
4.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
4.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] tot 16 januari 2027;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.