ECLI:NL:RBDHA:2026:19040
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Buiten behandeling stellen verblijfsvergunningaanvraag wegens ontbreken bewijsstukken
Eiser diende op 12 april 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, samen met zijn minderjarige kinderen, om te verblijven bij de ongehuwde partner (referent). De minister stelde de aanvraag op 17 december 2024 buiten behandeling omdat eiser niet de gevraagde aanvullende bewijsstukken had overgelegd, ondanks een hersteltermijn van twee weken.
Eiser maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening, maar de minister handhaafde het besluit op 20 mei 2025. Eiser stelde beroep in tegen dit bestreden besluit. Tijdens de zitting op 7 juli 2026 verschenen noch eiser noch zijn gemachtigde, noch de gemachtigde van de minister.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb, omdat eiser niet had voldaan aan de wettelijke vereisten en de hersteltermijn niet had benut. Eiser had niet onderbouwd waarom hij de gevraagde stukken niet binnen de termijn kon aanleveren en had geen uitstel gevraagd.
De rechtbank wees het beroep af en verklaarde het ongegrond. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak betreft uitsluitend de vraag of de aanvraag buiten behandeling mocht worden gesteld; andere beroepsgronden werden niet inhoudelijk beoordeeld.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, waardoor de aanvraag buiten behandeling blijft.