ECLI:NL:RBDHA:2026:19041

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2614459:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 288 lid 3 Fw
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met vervroegde ingangsdatum

Verzoeker bevindt zich in een problematische schuldensituatie en heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank beoordeelt dat verzoeker voldoet aan de toelatingseisen, waaronder het te goeder trouw zijn bij het ontstaan van schulden en de verwachting dat hij aan de verplichtingen zal voldoen.

Er is een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288, derde lid, Faillissementswet, waarbij de rechtbank oordeelt dat verzoeker een blijvende gedragsverandering heeft getoond, zijn financiële situatie is gestabiliseerd en hij hulp heeft geaccepteerd. Hierdoor wordt het verzoek toegewezen.

De rechtbank bepaalt de ingangsdatum van de WSNP op 25 maart 2025, de datum waarop het minnelijk traject begon en beslag op het inkomen lag. Hoewel het verzoek tot toelating pas op 5 juni 2026 werd ingediend, is dit verzoeker niet aan te rekenen omdat hij zich voldoende heeft ingespannen om de indiening te bespoedigen.

De WSNP duurt achttien maanden vanaf de ingangsdatum, met een postblokkade gedurende de eerste dertien maanden. Na afloop van de regeling geldt een medewerkings- en informatieplicht totdat de regeling formeel is afgewikkeld. De rechtbank stelt tevens vast dat alle gelegde beslagen komen te vervallen en benoemt een rechter-commissaris en bewindvoerder.

De uitspraak is gedaan op 8 juli 2026 en bevat tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep binnen acht dagen na de uitspraak.

Uitkomst: Verzoeker wordt toegelaten tot de WSNP met ingang van 25 maart 2025 en een looptijd van achttien maanden.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Toezicht
insolventienummer: NL:TZ:2614459:R-RK
vonnis van 8 juli 2026 (bij vervroeging)
op het verzoek van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [verzoeker].
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de WSNP.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 3 juli 2026. Met de uitnodiging voor deze zitting is aan [verzoeker] een WSNP-informatieboekje meegezonden. Op de zitting verschenen:
- [verzoeker],
- mevrouw [naam], maatschappelijk werkster van LIMOR.
1.3.
De uitspraak is bepaald op 10 juli 2026, met de mededeling dat de rechtbank zo mogelijk bij vervroeging uitspraak zal doen.

2.De beoordeling van het verzoek

Toelating tot de WSNP

2.1.
[verzoeker] kan alleen worden toegelaten tot de WSNP als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de WSNP zal voldoen. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of er aanleiding is een eerdere ingangsdatum van de WSNP te bepalen.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat er diverse recente schulden zijn waarvan het de vraag is of die te goeder trouw zijn ontstaan. Dit geldt met name voor de schulden bij het CJIB en de Belastingdienst. Voor zover deze schulden als niet te goeder trouw worden aangemerkt, kunnen die aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan.
Beroep op de hardheidsclausule
2.3.
Namens [verzoeker] is een beroep gedaan op de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 288, derde lid, van de Faillissementswet (Fw).
2.4.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk moet zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid, onder controle is. Er moet met andere woorden sprake zijn van een aantoonbare en blijvende gedragsverandering, waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problemen die tot de schulden hebben geleid zich niet zullen herhalen.
2.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan voldoende gebleken. [verzoeker] erkent zijn verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de schulden en zet zich al geruime tijd in om zijn schulden af te lossen en nieuwe schulden te voorkomen. Sinds maart 2025 leeft hij van de beslagvrije voet. Sindsdien zijn, voor zover de rechtbank bekend, geen nieuwe schulden ontstaan die aan hem kunnen worden toegerekend. Daarnaast heeft hij hulp geaccepteerd in de vorm van maatschappelijk werk en budgetbeheer. Sinds de start van het budgetbeheer in januari 2025 is zijn financiële situatie gestabiliseerd. Bovendien is per 1 juli 2026 een beschermingsbewind ingesteld.
2.6.
Nu [verzoeker] aan de overige toelatingseisen voor de WSNP voldoet, leidt een en ander ertoe dat de rechtbank het verzoek met toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule zal toewijzen. [verzoeker] wordt dus toegelaten tot de WSNP.
2.7.
De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de WSNP moet voldoen staan in het WSNP-informatieboekje beschreven. Samengevat komt dit neer op: een informatieverplichting, een inspanningsverplichting, een verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan en een afdrachtverplichting.
2.8.
De wet schrijft voor dat de eerste dertien maanden van het traject een postblokkade geldt. Deze postblokkade geldt gedurende de materiële looptijd van de schuldsaneringsregeling. Als de schuldsaneringsregeling eerder eindigt, stopt de postblokkade. Gedurende deze periode zal alle post naar de bewindvoerder gaan. De bewindvoerder stuurt de post na controle weer door aan [verzoeker].
2.9.
Het WSNP-traject duurt in principe achttien maanden. Als [verzoeker] zich gedurende die periode houdt aan alle verplichtingen die de WSNP met zich brengt, eindigt het traject na verloop van die achttien maanden met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de WSNP werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen.
Ingangsdatum termijn van de WSNP
2.10.
Een termijn van een wettelijke schuldsaneringsregeling kan ook beginnen te lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f Fw. Het moet gaan om een eerste aflossing tijdens ‘het minnelijk traject van schuldhulpverlening’ (HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Vanaf dat
moment moet de schuldenaar maximaal aflossen op zijn schulden. Tijdens het minnelijk schuldregelingstraject kan een eerste aflossing in beginsel ook bestaan uit een aflossing aan een schuldeiser uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag. Daarnaast moet hij zich in de verzochte periode inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven.
2.11.
[verzoeker] verzoekt de ingangsdatum van de termijn van de WSNP te bepalen op 25 maart 2025.
2.12.
De rechtbank zal het verzoek om de ingangsdatum te bepalen op 25 maart 2025, toewijzen. Vanaf maart 2025 ligt er beslag op de uitkering van [verzoeker]. Vanaf die maand tot heden zijn aan de beslaglegger(s) bedragen afgedragen die ten minste gelijk zijn aan de afloscapaciteit die de schuldhulpverlening heeft berekend op basis van de voor het vtlb geldende normen. Het minnelijk traject is gestart op 25 maart 2025. Vanaf die datum heeft [verzoeker] zich voldoende ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven.
2.13.
De rechtbank is van oordeel dat in een situatie waarin beslag is gelegd door een schuldeiser en dus feitelijk de gehele afloscapaciteit naar één enkele schuldeiser vloeit, het op de weg van de schuldenaar ligt om zo spoedig mogelijk, het liefst binnen zes maanden na start van het minnelijk traject, die situatie te beëindigen door opheffing van de gelegde beslagen te verzoeken of een verzoek tot toelating tot de WSNP in te dienen. De Hoge Raad heeft weliswaar overwogen dat beslaglegging door een of meer schuldeisers in beginsel niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend (HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913), maar dit laat onverlet dat alle betrokkenen ervan moeten kunnen uitgaan dat een minnelijk schuldhulpverleningstraject voortvarend zal worden uitgevoerd, temeer ingeval van beslaglegging, waarbij de belangen van de andere schuldeisers in het gedrang komen.
2.14.
In deze zaak is het akkoordvoorstel aan de schuldeisers gestuurd op 29 september 2025 en was medio oktober 2025 duidelijk dat niet alle schuldeisers met het voorstel zouden instemmen. Uiteindelijk is pas op 5 juni 2026 een verzoek tot toelating tot de WSNP ingediend. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet voortvarend genoeg. Er is bovendien niet tussentijds om opheffing van de gelegde beslagen verzocht.
2.15.
Op de zitting is echter gebleken dat het niet aan [verzoeker] is aan te rekenen dat het verzoek om toelating tot de WSNP pas zo laat is ingediend, en dat hij zich voldoende heeft ingespannen om de indiening te bespoedigen. De schuldhulpverlener is niet op de zitting verschenen om toelichting te geven op het tijdspad. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat deze onvoldoende voortvarendheid geen gevolgen voor de ingangsdatum of de looptijd behoeft te hebben. De rechtbank zal daarom bepalen dat de termijn van de WSNP vanaf 25 maart 2025 begint te lopen.
Medewerking en informatieplicht
2.16.
De looptijd van de WSNP bedraagt achttien maanden. In deze zaak wordt de ingangsdatum van de WSNP bepaald op 25 maart 2025. Dit betekent dat van de looptijd nog minder dan drie maanden resteert. Gedurende die resterende periode gelden de afdrachtplicht en inspanningsplicht. Wel blijven daarna de medewerkings- en informatieplichten gelden totdat de WSNP formeel is afgewikkeld. Dit is om de WSNP-bewindvoerder in staat te stellen zijn wettelijke taken naar behoren uit te voeren. Die taken bestaan uit het houden van toezicht op de naleving van de WSNP-verplichtingen en het beheer en de vereffening van de goederen die in de boedel vallen.

3.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats];
- wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum toe;
- stelt de termijn van deze regeling vast op achttien maanden, te rekenen vanaf 25 maart 2025;
- stelt vast dat er na de einddatum van de looptijd een medewerkingsplicht en een informatieplicht geldt tot het verbindend worden van de slotuitdelingslijst;
- stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. A.J. Nederhoed en tot bewindvoerder:
M.A.T. Noordzij (Noordzij Insolventie B.V.),
postbus 144,
2260 AC Leidschendam;
- geeft de bewindvoerder opdracht om de komende dertien maanden, of zoveel eerder als de schuldsaneringsregeling eindigt, de post van [verzoeker] in te zien;
- draagt de bewindvoerder op om binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen:
o zolang de schuldsaneringsregeling loopt en
o voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. A.J. Nederhoed, rechter, in samenwerking met C. Groesbeek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 (bij vervroeging).
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met de eerdere ingangsdatum?
Mocht uw verzoek om een eerdere ingangsdatum niet of niet volledig zijn toegewezen, dan kunt u gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.