ECLI:NL:RBDHA:2026:19042

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL26.29679
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen maatregel bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie heeft op 22 mei 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan verzoeker op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht op 28 mei 2026 om een voorlopige voorziening om in vrijheid gesteld te worden en zelfstandig te kunnen vertrekken naar Zweden.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting. Verzoeker stelde dat hij een treinticket had gekocht voor vertrek op 29 mei 2026, wat een spoedeisend belang zou vormen. Uit het dossier bleek echter dat een eerder verzoek om zelfstandig vertrek was afgewezen omdat het vertrektraject niet voldeed aan de geldende voorwaarden en afspraken.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het enkele bezit van een treinticket niet voldoende is om te spreken van een feitelijk uitvoerbaar vertrektraject en dat de behandeling van het beroep op 1 juni 2026 niet kan worden afgewacht. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de maatregel van bewaring wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang en een feitelijk uitvoerbaar vertrektraject.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29679

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2026 heeft de minister aan verzoeker de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verzoeker heeft hiertegen op 22 mei 2026 beroep ingesteld (NL26.28916). Ook heeft hij de voorzieningenrechter op 28 mei 2026 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is connex aan het beroep tegen de maatregel van bewaring. Dit beroep wordt op maandag 1 juni 2026 op zitting behandeld. Dit betekent dat sprake is van onverwijlde spoed als sprake is van een omstandigheid die maakt dat de behandeling van het beroep tegen de maatregel van bewaring op de zitting van 1 juni 2026 niet kan worden afgewacht.
3. Verzoeker stelt dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat hij een treinticket heeft gekocht om op vrijdag 29 mei 2026 om 9.11 uur te vertrekken naar Zweden. Verzoeker moet daarom in vrijheid worden gesteld op grond van artikel 59a, tweede lid, van de Vw en de minister dient een EU-reisdocument op te maken zodat verzoeker vrijwillig en zelfstandig kan vertrekken naar Zweden.
4. De voorzieningenrechter merkt op dat uit het dossier blijkt dat verzoeker al eens eerder een treinticket naar Zweden heeft gekocht. Dit treinticket kocht verzoeker op 24 mei 2026 voor een reis op 25 mei 2026. Verzoeker heeft toen ook bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) verzocht om toepassing van artikel 59a, tweede lid, van de Vw, zodat hij zelfstandig kon vertrekken naar Zweden. DTenV heeft dit verzoek afgewezen omdat toestemming ontbrak voor de doorreis via Duitsland en Denemarken en omdat het vertrekvoorstel niet voldeed aan de voorwaarden zoals vastgesteld in het claimakkoord van 20 februari 2026. Er was weliswaar een (geconcretiseerde) vertrekwens, maar er was geen sprake van een feitelijk uitvoerbaar vertrektraject dat voldeed aan de geldende voorwaarden en afspraken.
5. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding om, door middel van het treffen van een voorlopige voorziening, vooruit te lopen op de inhoudelijke beoordeling van de bewaringsmaatregel door de rechtbank. De omstandigheid dat verzoeker een treinticket voor 29 mei 2026 heeft gekocht voor zelfstandig vertrek naar Zweden, maakt niet dat sprake is van een spoedeisend belang. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is namelijk niet gebleken dat sprake is van een feitelijk uitvoerbaar vertrektraject, dat voldoet aan de geldende voorwaarden en afspraken. Een treinticket kan ook op ieder moment worden gekocht en het feit dat verzoeker daarover beschikt maakt niet dat de behandeling van het beroep tegen de maatregel niet kan worden afgewacht. Gelet op het voorgaande kan met het onderhavige verzoek niet worden bewerkstelligd dat de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel geeft omtrent de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel van bewaring.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande is het verzoek kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
28 mei 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.