ECLI:NL:RBDHA:2026:19050

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36954 en NL26.36955
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbVerordening (EU) Nr. 604/2013Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen weigering verblijfsvergunning wegens Dublinverordening

Eiser, een asielzoeker van Azerbeidzjaanse nationaliteit, diende beroep in tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning niet in behandeling te nemen, omdat Tsjechië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank stelde eiser in de gelegenheid om de gronden van beroep en de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding toe te lichten. Eiser reageerde, maar ging niet in op de vraag of de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar was.

De rechtbank oordeelde dat het besluit op de voorgeschreven wijze bekend was gemaakt op 5 juni 2026, waardoor de beroepstermijn op die datum begon te lopen en uiterlijk op 12 juni 2026 moest worden ingediend. Het beroep van eiser op 3 juli 2026 was daarmee te laat en niet verschoonbaar.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Een inhoudelijke behandeling van het beroep vond niet plaats. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.36954 (beroep)
NL26.36955 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser

geboren op [geboortedag] 2000, van Azerbeidzjaanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. H.M. Pot),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Tsjechië volgens de minister op de grond van de Dublinverordening [1] verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 3 juli 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna te noemen: de rechtbank) heeft op diezelfde datum aan eiser verzocht om uiterlijk op 6 juli 2026 de gronden van beroep en het verzoek in te dienen, zich uit te laten over de verschoonbare termijnoverschrijding en te onderbouwen dat eiser op 9 juli 2026 wordt overgedragen aan Tsjechië.
Eiser heeft daar op 6 juli 2026 op gereageerd. De minister heeft daarop op 7 juli 2026 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, onder b, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.
2. Eiser voert aan dat hij het bestreden besluit pas op 2 juli 2026 heeft ontvangen en om die reden pas op 3 juli 2026 beroep heeft ingediend. Volgens eiser is het bestreden besluit onder andere in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, de onderzoeksplicht en het beginsel van fair play. Verder voert eiser in zijn reactie van 6 juli 2026 aan dat hij beroep heeft ingediend bij deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, tegen de verlenging van de overdrachtstermijn en dat hij daar niets meer van heeft vernomen. Ook heeft eiser een kennisgeving overgelegd waaruit blijkt dat hij op 9 juli 2026 om 09:05 met een vlucht naar Praag zal uitreizen.
3. De minister stelt zich allereerst op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hij voert daartoe aan dat het beroep buiten de beroepstermijn is ingediend en dat eiser niet heeft onderbouwd dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat de gronden die in de beroepszaak zijn aangevoerd niet nader zijn onderbouwd. Daarom heeft het beroep volgens de minister geen kans van slagen.
4. De rechtbank beoordeelt ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep. In dat verband is van belang of het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt zodat de termijn voor het indienen van beroep daarmee is gaan lopen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval, nu het bestreden besluit (digitaal) via het Portaal voor Advocaten op 5 juni 2026 is verzonden. De enkele stelling dat het bestreden besluit pas op 2 juli 2026 is ontvangen, rechtvaardigt niet de conclusie dat het besluit onregelmatig bekend is gemaakt. Dat betekent dat de beroepstermijn op 5 juni 2026 is gaan lopen en dat eiser tot uiterlijk 12 juni 2026 de tijd had om beroep in te dienen. Eiser heeft op 3 juli 2026 zijn beroep ingediend en dat is buiten de beroepstermijn van één week. Daarmee is het beroep te laat ingediend.
5. Dat betekent dat het beroep in beginsel niet-ontvankelijk is, tenzij er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Na de mededeling van de rechtbank op 3 juli 2026 over het verzuim, is eiser in zijn reactie op 6 juli 2026 niet ingegaan op de vraag of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Dat de gemachtigde van eiser beroep heeft ingediend tegen de verlenging van het overdrachtsbesluit bij deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, dat daar niets meer van is vernomen en dat de overdacht naar Praag gepland staat op 9 juli 2026, zijn naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere redenen die maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank komt daarom niet toe aan de inhoudelijke bespreking van het beroep.
7. Nu de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep, is een verzoek om een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder NL26.36954:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder NL26.36955:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open
.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
2.Algemene wet bestuursrecht.