ECLI:NL:RBDHA:2026:19052

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
09/087064-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
Verwijzingen
16 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling belaging, mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving ex-partner

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor belaging, mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn ex-partner. De feiten vonden plaats tussen augustus 2025 en maart 2026, waarbij verdachte herhaaldelijk contact zocht, stalkte, mishandelde en het slachtoffer tegen haar wil in een auto vasthield.

De rechtbank achtte de belaging bewezen op basis van frequent en obsessief contact, het plaatsen van een GPS-tracker en het doen van kleine geldtransacties met berichten. De mishandeling werd bewezen door de verklaring van het slachtoffer en ondersteunend bewijs, waaronder observaties van een verbalisant. De wederrechtelijke vrijheidsberoving werd vastgesteld doordat verdachte de autoportieren op slot deed terwijl het slachtoffer probeerde te ontsnappen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 150 dagen op, waarvan 133 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd een taakstraf van 200 uur opgelegd, met vervangende hechtenis als sanctie bij niet-naleving. Vrijheidsbeperkende maatregelen op grond van artikel 38v Sr werden opgelegd, waaronder een contactverbod en locatieverbod met elektronische controle.

De immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer werd deels toegewezen voor belaging, mishandeling en vrijheidsberoving, totaal €6.500,- met wettelijke rente vanaf 22 maart 2026. De rechtbank oordeelde dat de straf en maatregelen passend zijn gezien de ernst van de feiten, het recidiverisico en de impact op het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 150 dagen gevangenisstraf (waarvan 133 voorwaardelijk), 200 uur taakstraf, vrijheidsbeperkende maatregelen en een schadevergoeding van €6.500,- aan het slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/087064-26
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 25 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.N.A.J. de Vroom naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2025 tot en met 22 maart 2026 te 's-Gravenhage en/of Zwolle en/of Amsterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door
- die [aangeefster] veelvuldig te bellen en/of e-mails en/of berichten te sturen en/of
- met zeer grote regelmaat met de auto vanuit Zwolle naar Den Haag en/of andere locaties waar die [aangeefster] zich bevindt te rijden en/of (vervolgens) naar de woning van die [aangeefster] toe te gaan en/of zich in haar straat dan wel directe omgeving op te houden en/of
- veelvuldig bankoverschrijvingen van (een) enkele cent(en) naar die [aangeefster] te doen en via de omschrijving bij die overschrijving teksten/berichten te sturen naar die [aangeefster] en/of
- die [aangeefster] met de auto te achtervolgen middels een door hem, verdachte, onder haar auto geplaatste GPS-tracker met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2
hij op of omstreeks 12 maart 2026 te 's-Gravenhage [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] met zeer veel kracht aan/bij haar haren vast te pakken, althans aan haar haren te trekken;
3
hij op of omstreeks 22 maart 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk [aangeefster] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door (terwijl die [aangeefster] bij hem, verdachte, in de auto zat)
- die [aangeefster] te verhinderen om uit te stappen, door haar aan haar arm (met kracht) weer naar binnen te trekken en/of
- ( vervolgens) de autoportieren van binnen uit te vergrendelen, zodat die [aangeefster] niet kon uitstappen en/of
- bij die [aangeefster] op schoot te gaan zitten, met zijn gezicht naar haar toe en/of haar (daarbij) een knuffel te geven.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1 en 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal hierna, voor zover relevant, nader ingaan op specifieke standpunten van de verdediging.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Feit 1: belaging
De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde op de terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte heeft gedurende een langere periode veelvuldig contact gezocht met aangeefster. Hij heeft aangeefster veelvuldig gebeld en berichten en e-mails gestuurd met verschillende telefoonnummers en mailadressen. Onder de berichten zijn berichten van smekende, dreigende en dwingende aard. Hierbij verwijst de rechtbank in het bijzonder naar de analyse van de historische verkeersgegevens waaruit blijkt dat de verdachte aangeefster op 17 november 2025 110 keer heeft gebeld. Hiermee staat vast dat de verdachte in ieder geval vanaf dat moment op indringende en obsessieve wijze heeft geprobeerd met aangeefster in contact te komen. De rechtbank zal derhalve deze datum als begin van de pleegperiode vaststellen.
Daarnaast is de verdachte meermaals vanuit zijn woning in Zwolle naar Den Haag gereden om aangeefster op te zoeken en heeft hij een tracker onder haar auto geplaatst. Tot slot heeft de verdachte honderden transacties van € 0,01 naar aangeefster gedaan met daarbij begeleidende berichten. Aangeefster heeft herhaaldelijk aan de verdachte te kennen gegeven van zijn toenaderingen niet gediend te zijn. Voorts is er door de politie een stopgesprek met de verdachte gevoerd, maar dit heeft de verdachte er niet van weerhouden om contact te zoeken. De gevolgen die de gedragingen van de verdachte in het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer teweeg hebben gebracht zijn groot.
De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt.
Feit 2: mishandeling
De rechtbank is – anders dan de verdediging heeft bepleit – van oordeel dat de verklaring van aangeefster in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Aangeefster heeft verklaard dat de verdachte in de avond van 12 maart 2026 bij haar in de auto is gaan zitten, waarna een ruzie is ontstaan. De verdachte is op enig moment boos geworden en heeft haar hard aan haar haren getrokken. De verdachte is daarna uit de auto gestapt en aangeefster is doorgereden naar het politiebureau. De verklaring van aangeefster wordt naar het oordeel van de rechtbank in de eerste plaats ondersteund door de bevindingen van verbalisant [verbalisant] die direct na het incident op het politiebureau heeft waargenomen dat aangeefster overstuur was. Hij heeft gezien dat aangeefster volgelopen ogen had en haar tranen probeerde tegen te houden. Bovendien liet de aangeefster direct een zwarte pluk haar zien.
Ook wordt (een gedeelte van) de verklaring van aangeefster alsmede de context waarin de mishandeling heeft plaatsgevonden, ondersteund door de verklaring van de verdachte op de terechtzitting dat hij inderdaad op die avond bij aangeefster in de auto heeft gezeten en dat aangeefster boos op hem was.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend is bewezen.
Feit 3: wederrechtelijke vrijheidsberoving
De rechtbank stelt voorop dat van wederrechtelijke vrijheidsberoving als bedoeld in artikel 282 Sr Pro sprake is indien de verdachte het slachtoffer doet verblijven, zonder dat hij daartoe gerechtigd is, op een plaats (waaronder ook kan vallen een voertuig) waarvan of waaruit het slachtoffer zich niet op ieder gewenst ogenblik kan verwijderen. Ook het creëren van een zodanige situatie dat ten aanzien van het slachtoffer de dwang is ontstaan om te blijven, heeft te gelden als wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Uit het dossier kan ten aanzien van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving het volgende worden afgeleid. In de nacht van 21 op 22 maart 2026 was de verdachte op aangeefster aan het wachten bij haar woning. Zij hebben aanvankelijk een gesprek buiten gevoerd en op enig moment is aangeefster vrijwillig bij de verdachte in de auto gaan zitten. Enige tijd later wilde aangeefster echter de auto verlaten, maar werd teruggetrokken door de verdachte. Toen zij opnieuw probeerde de auto te verlaten, zaten de deuren op slot. Uit de verklaring van getuige [getuige] , die vanuit haar woning zicht had op de auto, blijkt tevens dat aangeefster probeerde de deuren open te doen, maar dat dit niet mogelijk was. Zij zegt toen paniek te hebben waargenomen bij aangeefster. Ook heeft zij waargenomen dat de alarmlichten van de auto aangingen. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte de auto van binnen uit op slot heeft gedaan, zodat aangeefster de auto niet kon verlaten. Vanaf het moment dat aangeefster – tegen haar wil – in de auto zat en de auto niet vrijwillig kon verlaten, was sprake van een opzettelijke en wederrechtelijke vrijheidsberoving. De rechtbank acht daarmee het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij in de periode van
17 november2025 tot en met 22 maart 2026 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door
- die [aangeefster] veelvuldig te bellen en e-mails en berichten te sturen en
- met zeer grote regelmaat met de auto vanuit Zwolle naar Den Haag en andere locaties waar die [aangeefster] zich bevindt te rijden en naar de woning van die [aangeefster] toe te gaan en zich in haar straat dan wel directe omgeving op te houden en
- veelvuldig bankoverschrijvingen van een cent naar die [aangeefster] te doen en via de omschrijving bij die overschrijving teksten/berichten te sturen naar die [aangeefster] en
- die [aangeefster] met de auto te achtervolgen middels een door hem, verdachte, onder haar auto geplaatste GPS-tracker met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen;
2
hij op 12 maart 2026 te 's-Gravenhage [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] met zeer veel kracht aan haar haren vast te pakken;
3
hij op 22 maart 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk [aangeefster] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door (terwijl die [aangeefster] bij hem, verdachte, in de auto zat)
- die [aangeefster] te verhinderen om uit te stappen, door haar aan haar arm (met kracht) weer naar binnen te trekken en
- vervolgens de autoportieren van binnen uit te vergrendelen, zodat die [aangeefster] niet kon uitstappen en
- bij die [aangeefster] op schoot te gaan zitten, met zijn gezicht naar haar toe en haar daarbij een knuffel te geven.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 283 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en met het verzoek deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Tot slot heeft de officier van justitie twee maatregelen op grond van artikel 38v Sr gevorderd, inhoudende een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor ’s-Gravenhage, Leidschendam-Voorburg, Rijswijk, Schiedam en Rotterdam. Deze maatregelen zijn gevorderd voor de duur van twee jaren, waarbij vervangende hechtenis van twee weken zal worden toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden en het verzoek deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een lagere straf op te leggen dan geëist door de officier van justitie. Verder is bepleit om het locatieverbod (zowel als bijzondere voorwaarde als voor de artikel 38v Sr maatregel) te beperken tot de gemeente ‘s-Gravenhage.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking, mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn ex-partner. Hij heeft gedurende een periode van enkele maanden herhaaldelijk contact gezocht door veelvuldig te bellen, berichten te sturen en te mailen. Ook heeft de verdachte aangeefster meermaals opgezocht en een tracker onder haar auto geplaatst. Het stopgesprek met de politie heeft de verdachte er niet van weerhouden om contact te zoeken met aangeefster. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte stelselmatig ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Daarnaast heeft de verdachte op 12 maart 2026 aangeefster mishandeld door haar hard aan haar haren te trekken. Hierdoor heeft zij pijn gehad en zijn haar haren uitgevallen. De verdachte heeft hiermee een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van aangeefster. Tot slot zat aangeefster op 22 maart 2026 bij de verdachte in de auto, waarbij de verdachte de deuren van de auto op slot heeft gedaan en aangeefster de auto daardoor niet kon verlaten. De verdachte heeft daarmee aangeefster van haar vrijheid beroofd. Dit moet erg beangstigend zijn geweest voor de aangeefster. Dergelijke feiten zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Uit de aangifte en de vordering tot schadevergoeding blijkt dat alle feiten een grote impact hebben gehad op aangeefster. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 1 juni 2026. Hieruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor mishandeling van aangeefster. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 16 juni 2026. Met behulp van het Wegingskader Adolescentenstrafrecht is beoordeeld of er aanleiding is om het jeugdstrafrecht toe te passen. Hiertoe zijn geen redenen gevonden en geadviseerd wordt daarom om het volwassenstrafrecht toe te passen. Uit het advies volgt verder dat de verdachte beperkte verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag, nu hij zijn gedrag veelal bagatelliseert en externaliseert. Bij een bewezenverklaring schat de reclassering het risico op recidive alsmede het risico op letsel in als zeer hoog. De reclassering acht het noodzakelijk dat er gelet op de verdenking en de eerdere mishandeling van aangeefster geen contact meer tussen hen zal plaatsvinden. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod met aangeefster, een locatieverbod (met elektronisch toezicht) voor ’s-Gravenhage, Leidschendam-Voorburg, Rijswijk, Schiedam en Rotterdam en dagbesteding. Verder wordt geadviseerd om de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Gevangenisstraf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 133 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarde van het locatieverbod beperken tot de ’s-Gravenhage en de [straat] (te weten de schoollocatie van aangeefster) in Rotterdam. Het onvoorwaardelijk deel van de straf is daarmee gelijk aan het reeds ondergane voorarrest. De rechtbank zal een deel van de straf voorwaardelijk opleggen, met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden en reclasseringstoezicht
De verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam, te weten mishandeling en een belaging. De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op de inschatting dat sprake is van een hoog recidiverisico, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. De rechtbank zal daarom bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Taakstraf
Daarnaast ziet de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, aanleiding om aan de verdachte tevens een taakstraf op te leggen voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.
Vrijheidsbeperkende maatregelen
De rechtbank ziet, ter beveiliging van [aangeefster] , tot slot aanleiding om op grond van artikel 38v Sr twee vrijheidsbeperkende maatregelen aan de verdachte op te leggen. De eerste maatregel houdt in dat de verdachte gedurende een periode van twee jaar op geen enkele wijze contact mag hebben met [aangeefster] . De tweede maatregel houdt in dat de verdachte gedurende een periode van twee jaar zich niet bevindt in ’s-Gravenhage en in de [straat] in Rotterdam. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
Dadelijke uitvoerbaarheid vrijheidsbeperkende maatregelen
De rechtbank zal de maatregelen van artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar verklaren nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich in de toekomst belastend zal gedragen jegens [aangeefster] . De rechtbank leidt dit af uit de wijze waarop de verdachte gedurende enkele maanden contact bleef zoeken met [aangeefster] , op een voor haar belastende wijze, ook nadat zij de verdachte had gemaand daarmee te stoppen en nadat zij meerdere door de verdachte gebruikte telefoonnummers had geblokkeerd.
Voorlopige hechtenis
Nu de verdachte het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf reeds in voorarrest heeft uitgezeten, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 8.671,88, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding voor de belaging (feit 1) heeft de raadsman primair aangevoerd dat een onderbouwing voor het gestelde ernstige en blijvende letsel ontbreekt. Subsidiair is betoogd dat categorie c van de Rotterdamse schaal moet worden toegepast in plaats van categorie b en de vordering daarmee gematigd moet worden.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding voor de mishandeling (feit 2) heeft de verdediging verzocht dit gedeelte niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 3) heeft de verdediging verzocht dit gedeelte niet-ontvankelijk te verklaren, omdat aangeefster in haar aangifte heeft verklaard dat zij niet bang is geweest. Hieruit leidt de verdediging af dat er geen mate van dreiging is geweest en de gevolgen beperkt waren.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de aantasting ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Toewijzen immateriële schade feiten 1 en 3
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij in de onderhavige zaak zodanig zijn dat van de hiervoor bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat sprake was van een langdurige en intensieve belaging die op verschillende manieren heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft veelvuldig gebeld, berichten gestuurd en geldbedragen overgemaakt. Hij heeft een tracker onder de auto van de benadeelde partij geplaatst en op 22 maart 2026 heeft de verdachte – na de gehele dag op de benadeelde partij gewacht te hebben – haar vastgehouden in de auto terwijl hij bovenop haar zat. Ook blijkt uit de verwijzing van de huisarts dat de benadeelde partij last heeft van PTSS-klachten en dat ze is doorverwezen naar een psycholoog. De rechtbank stelt daarmee vast dat er een wettelijke grondslag is voor het toekennen van de immateriële schadevergoeding.
Voor de begroting van de schade die hieruit voortvloeit heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Voor de belaging heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij hoofdstuk 17 (belaging) categorie b (ernstig) van de Rotterdamse schaal. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst het bewezenverklaarde feit en de inbreuk op de rechten van de benadeelde partij in vergelijking tot soortgelijke zaken in deze categorie het gevorderde bedrag van € 5.000,- billijk is. Voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij hoofdstuk 19.2 (vrijheidsberoving) met verwijzing naar hoofdstuk 19.1 van de Rotterdamse schaal. De rechtbank zal de geleden immateriële schade ter zake voor feit 3 toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 750,-.
Gedeeltelijk toewijzen immateriële schade feit 2
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. De verdachte heeft namelijk een streng haar uit het hoofd van de benadeelde partij getrokken en daarmee heeft zij lichamelijk letsel opgelopen. Voor de begroting van de schade die hieruit voortvloeit heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij hoofdstuk 13 categorie b van de Rotterdamse schaal, nu nog geen zes maanden zijn verstreken sinds het bewezenverklaarde feit en derhalve categorie 11 (zoals in de vordering tot schadevergoeding aangevoerd) niet van toepassing is. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.500,- . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Totaal
Gelet op aanbeveling 5 van de aanbevelingen van de rechtspraak bij de Rotterdamse schaal zal de rechtbank het volgende bedrag toewijzen: 100 % x € 5.000,- (feit 1) + 50 % x € 1.500,- (feit 2) + € 750,- (feit 3) is totaal € 6.500,-. Nu in de onderhavige zaak gelet op de belaging met name sprake is van een persoonsaantasting (C-categorie in de Rotterdamse Schaal), ziet de rechtbank, conform de aanbevelingen voor de begroting van smartengeld, geen aanleiding voor toepassing van een opslag van 25%.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 6.500,-, bestaande uit immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 maart 2026, omdat vast is komen te staan dat alle gevorderde schade toen was ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen of maatregelen zijn gegrond op de artikelen: 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 282, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
belaging;
ten aanzien van feit 2:
mishandeling;
ten aanzien van feit 3:
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
150 (HONDERDVIJFTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
133 (HONDERDDRIEËNDERTIG) DAGEN,
niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland aan de [adres 2] , op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van de forensische polikliniek [zorginstelling] , of een soortgelijke zorginstelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde mee te werken aan een intake, diagnostiek en het daaruit voortvloeiende behandelaanbod;
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2002, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd niet bevindt in ’s-Gravenhage en de [straat] in Rotterdam, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werd en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het – op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van
200 (TWEEHONDERD) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
100 (HONDERD) DAGEN;
maatregelen art. 38v Sr
legt op de
maatregel(art. 38v Sr) dat de veroordeelde voor de duur van
2 jarenop geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met
[aangeefster] ,geboren op [geboortedatum 2] 2002;
beveelt dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
2 wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel
dadelijk uitvoerbaaris;
legt op de
maatregel(art. 38v Sr) dat de veroordeelde zich voor de duur van
2 jarenniet zal bevinden in
’s-Gravenhageen
de [straat] in Rotterdam;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
2 wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel
dadelijk uitvoerbaaris;
voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 6.500,-, ter zake immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangeefster] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 57 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Anemaet, voorzitter,
mr. C.M. Zandbergen, rechter,
mr. I.C. Kranenburg, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Duijm, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2026.