ECLI:NL:RBDHA:2026:19056

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL26.15893
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Vwopartikel 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005artikel 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen plaatsing in Handhaving- en Toezichtlocatie en vrijheidsbeperkende maatregel

Eiser maakte bezwaar tegen zijn plaatsing in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) en tegen een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Hij stelde dat de feiten waarop het plaatsingsbesluit was gebaseerd onjuist waren en dat de plaatsing disproportioneel was omdat hij hierdoor zijn baan verloor.

De rechtbank oordeelde dat het voldoende aannemelijk was dat de door het COa beschreven gedragingen hadden plaatsgevonden. Eiser had een medebewoner mishandeld en diens telefoon vernield, wat leidde tot ernstige verwondingen. Zijn stelling dat hij zich slechts verdedigde werd niet geloofd, mede vanwege het ontbreken van spijt en eerdere incidenten.

Verder werd geoordeeld dat de plaatsing in de HTL niet disproportioneel was, ook niet als gevolg van baanverlies, omdat eiser zijn baan niet aannemelijk had gemaakt en eerdere agressieve gedragingen en maatregelen geen gedragsverbetering hadden opgeleverd.

Daarom werden zowel het beroep tegen het plaatsingsbesluit als tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding en proceskosten werd eveneens afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de HTL-plaatsing en vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15893 en AWB 26/4531

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,geboren op [geboortedatum],V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep is gericht tegen het besluit van het COa van 19 maart 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 19 maart 2026 in de HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). [2] Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [3] op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 13 april 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op
15 mei 2025 een verweerschrift heeft ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
1.3.
Op de zitting is gebleken dat het verweerschrift van de minister niet bij de dossierstukken zat. Nu de rechtbank en de gemachtigde van eiser geen kennis hebben kunnen nemen van het verweerschrift, is de behandeling ter zitting aangehouden. Het verweerschrift is alsnog aan het dossier toegevoegd.
1.4.
De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser een termijn van twee weken gegeven om een reactie in te dienen op het verweerschrift. De gemachtigde heeft niet gereageerd. De rechtbank zal daarom het onderzoek sluiten en de beroepen beoordelen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
De feitelijke verslaglegging van het incident
3. In de verslaglegging van het COa staat over het incident het volgende.
Op 18 maart 2026 is er ruzie ontstaan tussen eiser en een medebewoner, omdat eiser niet wilde dat hij op zijn kamer geplaatst werd. Ondanks dat de beveiliging eiser uit de kamer had gestuurd, bleef hij schelden. De situatie leek toen gekalmeerd maar toen eiser en de medebewoner elkaar later weer troffen werd er over en weer gescholden. Vervolgens heeft eiser met zijn vuist, waar drie ringen om zijn vingers zitten, drie keer uitgehaald. Twee vuisten belanden op de mond van de medebewoner en een vuist op zijn oog. De medebewoner had hierdoor hevige bloedingen aan zijn onderlip en zijn tand was gebroken. Medebewoners hebben eiser bij hem weggetrokken, maar eiser bleef hem achtervolgen om hem verder te mishandelen. Toen de telefoon van de medebewoner op de grond viel, heeft eiser hem bewust kapot getrapt.
Wat vindt eiser?
4. Volgens eiser is de COa uitgegaan van onjuiste feiten. Die dag bleek er een onbekend persoon op zijn kamer te zijn. Eiser is juist door hem aangevallen en hij heeft zich slechts verdedigd. Eiser stelt dat ten onrechte de medebewoner onmiddellijk werd geloofd, waarbij blijkbaar meespeelt dat eiser bij eerdere incidenten betrokken was. Nu de medebewoner naar eisers kamer was gestuurd wegens een eerder incident, blijkt immers dat hij ook geen schone lei had. Nu het onderzoek van COa onzorgvuldig was, vindt eiser dat hij niet in de HTL geplaatst had mogen worden.
4.1.
Verder voert eiser aan dat hij door de HTL-plaatsing zijn baan is verloren in het magazijn waar hij 40 uur per week werkte. Eiser vindt de HTL-plaatsing daarom disproportioneel.
Oordeel van de rechtbank
5. Eisers beroepsgrond dat de weergegeven feiten niet juist zijn en dat deze daardoor niet aan het plaatsingsbesluit ten grondslag kunnen worden gelegd, slaagt niet. De enkele stelling dat eiser is aangevallen door de medebewoner en zich slechts heeft verdedigd, acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. Uit de verslaglegging volgt duidelijk dat eiser drie keer heeft uitgehaald naar de medebewoner en zijn telefoon heeft vernield. Ook blijkt dat eiser de medebewoner bleef achtervolgen om hem verder te mishandelen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het, gezien de verwondingen die het slachtoffer heeft opgelopen, te weten hevige bloedingen aan de onderlip en de gebroken tanden, onwaarschijnlijk is dat eiser alleen handelde uit zelfverdediging. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat eiser aangeeft geen spijt te hebben van zijn gedrag. De rechtbank is van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat de gedragingen zoals door het COa beschreven, zich hebben voorgedaan.
5.1.
Eisers beroepsgrond dat de HTL-plaatsing disproportioneel is omdat hij hierdoor zijn baan is verloren, slaagt evenmin. Vooropgesteld wordt dat eiser zijn stelling dat hij een baan heeft op geen enkele wijze heeft onderbouwd en dus ook niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank overweegt verder als volgt. Eiser is als gevolg van een incident met zeer grote impact op de medebewoner, de bewoners die hierbij aanwezig waren en de medewerkers, in de HTL geplaatst. Bovendien heeft eiser al eerder meerdere incidenten veroorzaakt waarbij agressie en geweld een terugkerende rol spelen. De inspanningen van het COa en de al eerder opgelegde maatregelen hebben niet geleid tot een positieve gedragsverandering bij eiser. De rechtbank concludeert dan ook dat onder deze omstandigheden plaatsing van eiser in de HTL, ook als dit ten gevolg zou hebben dat eiser zijn baan verliest, niet disproportioneel is geweest.
Vrijheidsbeperkende maatregel
6. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.
7.1.
Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond.
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Vreemdelingenwet 2000.