ECLI:NL:RBDHA:2026:19059
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na ingetrokken beroep wegens vertraagde beslissing verblijfsvergunning
Verzoekster stelde op 15 maart 2026 beroep in tegen de minister van Asiel en Migratie vanwege het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning voor familie en gezin. De minister nam op 17 maart 2026 alsnog een besluit, waarna verzoekster haar beroep op 25 april 2026 introk en verzocht om een proceskostenveroordeling van de minister.
De rechtbank stelde de minister in de gelegenheid te reageren op het verzoek, maar ontving geen reactie. De rechtbank oordeelde dat de minister met het besluit tegemoet was gekomen aan het beroep van verzoekster, waardoor het verzoek om proceskostenveroordeling gegrond was.
De proceskostenvergoeding werd berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), waarbij voor de ingediende beroepshandeling een vast bedrag van € 934 werd gehanteerd, vermenigvuldigd met een factor 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak, resulterend in een vergoeding van € 467.
Daarnaast werd verzoekster vrijstelling van griffierecht toegekend wegens betalingsonmacht, waardoor de minister niet verplicht was het griffierecht te vergoeden. De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van € 467 aan proceskosten aan verzoekster.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 467 aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep wegens vertraagde beslissing.