Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker 2], uit [plaats] , verzoeker,
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd om te bepalen dat zijn zoon in Nederland mag blijven tot vier weken na de uitspraak op het beroep. De minister had de aanvraag van een verblijfsvergunning voor de zoon afgewezen en het bezwaar tegen dit besluit was eveneens afgewezen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat voor een verzoek om voorlopige voorziening een lopende bodemprocedure vereist is, het zogenaamde connexiteitsvereiste. Uit het verzoekschrift blijkt echter niet dat er een beroep is ingesteld tegen het besluit van de minister. Hoewel verzoeker aangeeft dat het verzoek 'hangende het beroep' is, kon de rechtbank niet vaststellen dat een dergelijk beroep daadwerkelijk is ingediend.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en wordt het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een aanhangig beroep.