ECLI:NL:RBDHA:2026:19061

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
AWB 26/2097
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken bodemprocedure

In deze zaak heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd om te bepalen dat zijn zoon in Nederland mag blijven tot vier weken na de uitspraak op het beroep. De minister had de aanvraag van een verblijfsvergunning voor de zoon afgewezen en het bezwaar tegen dit besluit was eveneens afgewezen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat voor een verzoek om voorlopige voorziening een lopende bodemprocedure vereist is, het zogenaamde connexiteitsvereiste. Uit het verzoekschrift blijkt echter niet dat er een beroep is ingesteld tegen het besluit van de minister. Hoewel verzoeker aangeeft dat het verzoek 'hangende het beroep' is, kon de rechtbank niet vaststellen dat een dergelijk beroep daadwerkelijk is ingediend.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en wordt het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een aanhangig beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/2097

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1]als wettelijk vertegenwoordiger van
[verzoeker 2], uit [plaats] , verzoeker,
V-nummer: [V-nummer]
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De minister heeft de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning voor
zijn zoon [verzoeker 2] (zoon), afgewezen op 16 juni 2025. Met het besluit van 20 januari 2026 op het bezwaar van verzoeker is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (hierna: het besluit).
4. Verzoeker heeft vervolgens een voorlopige voorziening ingediend met het verzoek om te bepalen dat zijn zoon in Nederland mag blijven tot vier weken na de uitspraak op het beroep.
5. Wil een verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk zijn, dan moet er ook een bezwaar- of beroepsprocedure (bodemprocedure) aanhangig zijn. Het vereiste dat sprake moet zijn van een bodemprocedure wordt het connexiteitsvereiste genoemd. [1] Alleen als zo’n bodemprocedure loopt beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek inhoudelijk.
6. Uit het verzoekschrift blijkt niet dat verzoeker beroep heeft ingesteld tegen het besluit. Weliswaar schrijft verzoeker in de toelichting van 22 januari 2026 dat het gaat om een verzoek ‘hangende het beroep tegen het besluit van de IND van 20 januari 2026’, maar de rechtbank heeft niet vast kunnen stellen dat een dergelijk beroep daadwerkelijk is ingesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verzoeker geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit. In deze zaak wordt er dus niet voldaan aan het zogenoemde connexiteitsvereiste.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Het vereiste van het aanhangig zijn van een bodemprocedure (connexiteitsvereiste) valt af te leiden uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.