ECLI:NL:RBDHA:2026:19078

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
09/087019-26
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 60 SrArt. 157 SrArt. 26 Wwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor brandstichting met gevaar voor goederen en personen en wapenbezit

De rechtbank Den Haag heeft op 13 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, geboren in 2005, die werd verdacht van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en personen en het bezit van wapens en munitie.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte op 5 januari 2026 opzettelijk brand heeft gesticht bij een woning, waarbij levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners en omstanders te duchten was. Tevens is bewezen verklaard dat verdachte op 23 maart 2026 een patroonmagazijn en munitie van categorie III in bezit had. Voor het bezit van een omgebouwde alarmrevolver op 12 maart 2026 is verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs.

De bewijsvoering bestond uit getuigenverklaringen, camerabeelden, DNA-sporen op een muts en flesje gevonden op de plaats delict, en inbeslagname van munitie en patroonhouder in de woning van verdachte. De verdediging voerde vrijspraak aan, maar de rechtbank achtte het bewijs overtuigend en verwierp de alternatieve scenario's.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, rekening houdend met de ernst van de feiten en de jonge leeftijd van verdachte. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de benadeelden voor materiële en immateriële schade, met wettelijke rente en proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf voor brandstichting en wapenbezit, vrijgesproken van bezit omgebouwde alarmrevolver.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/087019-26
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres 1], [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de PI [plaats], locatie [locatie].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 29 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M. De L’Isle en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.F.W. Bentvelsen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 5 januari 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht in/aan/bij een pand gelegen aan de [adres 2], door
- open vuur in aanraking te brengen met een explosief voorwerp en/of een of meer brandbare en/of brandversnellende stoffen en/of een combinatie daarvan;
- dat explosief voorwerp en/of een of meer brandbare en/of brandversnellende stoffen en/of een combinatie daarvan bij/voor de voordeur, in ieder geval het pand, te gooien en/of te plaatsen, ten gevolge waarvan de voordeur (gedeeltelijk) is beschadigd,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten dat pand en/of voor de in dat pand aanwezige inboedel en/of voor (de inboedel van) de aangrenzende panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de bewoners en/of aanwezigen in dat pand en/of omstanders en/of passanten, in elk geval levensgevaar en/of voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
2
hij op of omstreeks 23 maart 2026 te 's-Gravenhage een onderdeel van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonmagazijn geschikt voor een gaspistool, van het merk Blow, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- een kogelpatroon, merk CBC, van het kaliber 7.65mm en/of
- een kogelpatroon, merk CBC, van het kaliber 9mm
voorhanden heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 12 maart 2026 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwde alarmrevolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten bepleit.
3.3.
Vrijspraak
feit 3
De rechtbank is met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit, net als de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De verdenking onder feit 3 is ontstaan op basis van foto’s die zijn aangetroffen op een mobiele telefoon waarvan de verdachte de vermoedelijke gebruiker is geweest. Op de foto’s houdt de verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast. De rechtbank stelt vast dat uit het forensisch onderzoek volgt dat het op de foto’s afgebeelde voorwerp met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een omgebouwde alarmrevolver betreft, zijnde een vuurwapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie. Dit is echter op zichzelf onvoldoende voor een bewezenverklaring. De aangetroffen foto’s zijn weliswaar voorzien van een datumstempel van 12 maart 2026, maar op de telefoon bevinden zich meerdere andere foto’s met nagenoeg dezelfde datumstempel. De politie merkt in het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het uitlezen van de telefoon op dat dit de indruk wekt dat er een externe back-up is ingeladen in de telefoon en/of dat de telefoon voor een bepaalde periode niet in gebruik is geweest. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de datumstempel daadwerkelijk de datum weergeeft waarop de foto’s zijn gemaakt. Bij gebrek aan ander bewijs kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte het afgebeelde vuurwapen op de ten laste gelegde datum voorhanden heeft gehad. De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
feiten 1 en 2
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2026004999, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 175).
Ten aanzien van feit 1:
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever], opgemaakt op 5 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 26-27):
Plaats delict: [adres 2] te 's-Gravenhage
Pleegdatum: maandag 5 januari 2026
Ik reed richting mijn huis. Op de [straatnaam 1] zag ik de auto die de getuige omschreef al stil staan. Ik parkeerde mijn voertuig. Ik stapte uit mijn voertuig en pakte mijn spullen uit mijn voertuig. Terwijl ik mijn spullen aan het pakken was hoorde ik een harde knal. Ik liep met versnelde pas naar de [straatnaam 2] waar ook mijn woning is. Ik zag dat er vlammen waren voor mijn woning. De voordeur is stuk en er is brandschade.
V: Kunt u het voertuig dat wegreed omschrijven?
A: een zwarte golf, getinte ramen achter, zwarte velgen en een beetje verlaagd model. Wat wel opviel was dat het kenteken met sneeuw was bedekt.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 18):Op maandag 05 januari 2026 kregen wij, verbalisanten, het verzoek om te gaan naar de [adres 2] alwaar een explosie was zou zijn geweest. Ik liep naar de woning toe en zag direct dat de voordeur zwart geblakerd was. Ik rook direct een hevige geur van benzine. Ik keek rond in de straat en zag dat er een rood voorwerp lag op ongeveer vijf meter van de woning. Ik zag dat op ongeveer 10 meter van de woning een half verbrande plasticfles lag. De aangetroffen voorwerpen zijn door mij veiliggesteld voor nader onderzoek.
3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], opgemaakt op 5 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 29):
Op maandag 5 januari 2026 omstreeks 21:05 liep ik in de richting van de [straatnaam 2]. Ik was onderweg naar huis. Toen ik op de [straatnaam 2] liep zag ik een persoon staan op het trottoir. Ik omschrijf de persoon als volgt:
- Man;
- ongeveer 185 cm lang;
- slank postuur;
- geheel in het zwart gekleed wat leek op een hoodie en een broek.
Ik zag dat de persoon een voorwerp op de grond zette en dat er een soort lont begon te branden. Ik zag dat de persoon direct hierna richting een personenauto rende. Ik zag dat dit een zwartkleurige Volkswagen Golf was. Nog voor dat de persoon in het voertuig zat zag ik een grote vuurbal. Ik zag dat de persoon op de bestuurdersstoel plaatsnam en dat het voertuig hard wegreed vanaf de kruising [straatnaam 2] met de [straatnaam 3] en dat deze over de [straatnaam 3] in de richting van de [straatnaam 4] uit mijn zicht verdween.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 36, 38, 39, 40):
Door een getuige werd een foto gemaakt van het voertuig waar de verdachte, als bestuurder, in gestapt was.
Camerabeelden: Op de door de politie veiliggestelde camerabeelden is te zien dat het voertuig van de verdachte om 21.08 uur door [straatnaam 3] rijdt uit de richting van de [straatnaam 2] in de richting van de [straatnaam 4]. Dit is de route die de getuige het voertuig heeft zien rijden. Het voertuig, vermoedelijk een zwarte Volkswagen Polo, heeft donkere achterruiten en donkere velgen.
Op de beelden is te zien hoe de bestuurder eerst de kentekenplaat aan de voorkant van het voertuig vrijmaakt van sneeuw en vervolgens ook de kentekenplaat aan de achterkant van het voertuig. Nadat de bestuurder het kenteken aan de achterkant van het voertuig heeft schoongemaakt stapt hij weer in het voertuig en rijdt weg, rechtsaf de [straatnaam 5] op. Het kenteken van het voertuig betreft [kenteken].
Op de beelden is te zien dat bestuurder heel lang is, slank is en een donkere huidskleur heeft. Bestuurder draagt een zwarte trui/vest met capuchon, een zwarte broek en zwarte schoenen met een witte zool.
Uit onderzoek in de politiesystemen is gebleken dat dit voertuig op naam van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2005 staat. [verdachte] is 2 meter lang en heeft een opvallende lange en slanke bouw. Hij heeft een donkere huidskleur ([land] nationaliteit) en woont in [woonplaats].
4. De verklaring van de verdachte [verdachte], afgelegd op de terechtzitting van 29 juni 2026, voor zover inhoudende:
De auto die te zien is op de camerabeelden van de [adres 3] is mijn auto. Het klopt dat ik in de avond van 5 januari 2026 bij de Esso aan de Leyweg was.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 43, 45, 48):
Naar aanleiding van de camerabeelden van de Esso Leyweg vergeleek ik de beelden waarop [verdachte] verschillende aankopen deed met de beelden van de verdachte van de brand op de [adres 3] in Den Haag.
Op de beelden is een persoon zichtbaar waarvan het signalement overeenkomt met het signalement van de persoon die op de camerabeelden van de brand te zien is. Qua tijdlijn is het mogelijk om vanaf de locatie van de brand, om 21:10 uur, richting het tankstation Esso te verplaatsen en daar om 21:59 uur te zijn.
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 50):
In dit proces-verbaal wordt een vergelijking gemaakt met de kledingstukken en schoenen die zijn aangetroffen tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte [verdachte] bij de [adres 1] in [woonplaats] en het kledingsignalement van de verdachte die te zien was op de veiliggestelde camerabeelden in de [straatnaam 4] en de Esso aan de Leyweg in 's- Gravenhage.
Onderstaande kledingstukken kwamen overeen:
- Grijs Nike vest met opvallend groen logo en een rits op de linkermouw;
- Nike broek met opvallend groen logo en rits aan de rechterkant;
- Zwart shirt met opvallende groene motieven;
- Opvallende Balenciaga schoenen met wit geblokte zool en zwarte accenten.
7. Het proces-verbaal vooronderzoek lab, opgemaakt op 2 april 2026, voor zover inhoudende (p. 136, 138):
Onderzoek sporendragers
Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen:
SIN AATN7787NL
Een voornamelijk roodkleurige muts welke deels versmolten was. Aan de muts bevond zich een stuk grijskleurig duct tape en een blauwkleurige dop.
SIN AATN7788NL
Een gedeelte van een kunststof fles zonder dop.
De muts en de fles zijn door mij visueel onderzocht. Ik heb de sporen veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN AATE4317NL (beschikbare delen buitenzijde muts), AATE4318NL (rugzijde tape en binnenzijde dop) en AATE4319NL (omgeving mogelijke drinkopening), verpakt en verzegeld.
8. Een geschrift, te weten het Rapport Forensisch DNA-onderzoek Eurofins, opgemaakt op 2 april 2026, voor zover inhoudende (p. 151):
Bemonstering: beschikbare delen buitenzijde muts AATE4317NL
DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal drie donoren, waarvan zeker één man
Mogelijke donor van DNA: verdachte [verdachte]
Bemonstering: rugzijde tape en binnenzijde dop AATE4318NL
DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal drie donoren, waarvan zeker één man
Mogelijke donor van DNA: verdachte [verdachte]
Bemonstering: mogelijke drinkopening AATE3419NL
DNA-profiel: DNA meng-profiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. Er is een DNA hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard
Mogelijke donor van DNA: verdachte [verdachte] (DNA-hoofdprofiel)
9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 75-76):
Uit verklaringen blijkt dat er op 5 januari 2026 omstreeks 21:10 uur iets werd aangestoken ter hoogte van de voordeur van de woning [adres 2] in Den Haag. Er werd een knal gehoord en er waren vlammen te zien bij de voordeur van de woning. De bewoner heeft de vlammen uitgemaakt/gedoofd met sneeuw wat ervoor zorgde dat de situatie of de brand niet erger werd. De dochter van de aangever was op het moment van de brand thuis in de woning. Zij zat op dat moment op de wc. Het was goed mogelijk geweest dat zij de voordeur had kunnen openen bij het horen van enig geluid. Ook blijkt dat de vlammen / het vuur al aan de binnenkant te zien waren. Direct achter de voordeur bevond zich de kapstok met jassen.
De politieambtenaren ter plaatse roken een sterke benzine geur. Vermoedelijk werd er een brand versnellend middel gebruikt bij de explosie.
De woning [adres 2] in Den Haag is een portiekwoning gelegen op de eerst woonlaag. Direct boven en rechts naast de woning zijn andere woningen gelegen. De gevolgen van de brand hadden aanzienlijk kunnen zijn.
Ten aanzien van feit 2:
1. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, opgemaakt op 23 maart 206, voor zover inhoudende (p. 116-117):
Op 23 maart 2026 werd door mij, verbalisant, voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning aan de [adres 1]
te 's-Gravenhage.
Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen:
Goed: 2 patronen
plaats aantreffen: slaapkamer verdachte
Goed: 1 patroonhouder
Plaats aantreffen: slaapkamer verdachte
2. De verklaring van de verdachte [verdachte], afgelegd op de terechtzitting van 29 juni 2026, voor zover inhoudende:
Ze waren niet van mij, maar ze zijn wel bij mij aangetroffen. Ik was vergeten dat ik ze nog had liggen.
3. Het proces-verbaal van Team Forensisch Opsporing, opgemaakt op 23 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 77):
Aantreffen munitie: De munitie werd aangetroffen tijdens de doorzoeking van perceel [adres 1] te ’s-Gravenhage.
Omschrijving munitie
Soort: kogelpatroon (volmantel pistoolpatroon)
Merk: CBC
Kaliber: 380 auto (9 mm kort)
Omschrijving munitie: (volmantel pistoolpatroon)
Soort: kogelpatroon
Merk: CBC
Kaliber: 32 auto (7.65 mm)
Categorie munitie: De aangetroffen patronen zijn munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie Pro III van de Wet wapens en munitie.
4. Het proces-verbaal van Team Forensische Opsporing, opgemaakt op 23 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 80-81):
Aantreffen onderdeel: Het onderdeel werd aangetroffen tijdens de doorzoeking van perceel [adres 1] te ’s-Gravenhage.
Omschrijving onderdeel
Onderdeel: Patroonmagazijn voor een alarm- cq gaspistool
Merk: Blow
Model: Bestemd voor diverse Blow Modellen
Kaliber: 9 mm (knal/gas)
Definitie onderdeel: Onderdelen van wapens die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn.
Categorie onderdeel: Dit onderdeel is een onderdeel in de zin van artikel 3 onder Pro 1e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie. Het onderdeel valt niet onder categorie II, sub 2, 3 of 6 van de Wet wapens en munitie.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte degene is geweest die de brand heeft gesticht. Volgens de verdediging komt het door getuige [getuige] opgegeven signalement niet overeen met het signalement van de verdachte, kan uit het aangetroffen DNA niet worden afgeleid dat de verdachte de brand heeft gesticht en is bovendien mogelijk dat een ander gebruik heeft gemaakt van de auto van de verdachte.
De rechtbank volgt de verdediging daarin niet en overweegt daartoe als volgt.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat een persoon een voorwerp voor de voordeur van de woning aan de [adres 2] plaatste, waarna de lont begon te branden. Vervolgens zag zij deze persoon wegrennen naar een auto, op de bestuurdersplaats plaatsnemen en met hoge snelheid wegrijden. Zij heeft daarbij een signalement van de persoon en een omschrijving van de auto gegeven. De rechtbank acht deze verklaring betrouwbaar. De door de getuige beschreven kenmerken van zowel de persoon als de auto vinden op essentiële onderdelen steun in de overige bewijsmiddelen.
Uit de camerabeelden van de [adres 3] volgt dat een auto overeenkomstig de door getuige [getuige] beschreven rijrichting vanaf de plaats delict is weggereden. Deze auto voldoet aan de omschrijving van de auto die getuige [getuige] en de aangever nabij het plaats delict hebben gezien. Uit het kentekenregister blijkt dat deze auto op naam van de verdachte staat. De verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat het zijn auto is die op de camerabeelden te zien is en dat hij de persoon is die op camerabeelden van tankstation Esso van later die avond is te zien. De verbalisant heeft vastgesteld dat het signalement van de persoon op de beelden van de Esso overeenkomt met het signalement van de persoon die op de camerabeelden van de brand te zien is. Daarnaast komen de tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte aangetroffen kleding en schoenen overeen met de kleding en schoenen van de persoon op de camerabeelden.
Ten slotte is op een op de plaats delict aangetroffen muts en plastic flesje DNA aangetroffen waarvan de verdachte als mogelijke donor is aangemerkt. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat dit op zichzelf niet bewijst dat de verdachte de brand heeft gesticht, nu het verplaatsbare voorwerpen betreft. Dit DNA vormt echter, bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, aanvullend bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, een consistent en overtuigend geheel vormen waaruit volgt dat de verdachte degene is geweest die de brand heeft gesticht. Het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario dat een ander gebruik zou hebben gemaakt van de auto van de verdachte is op geen enkele manier onderbouwd of aannemelijk gemaakt en vindt geen steun in het dossier. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer.
Ten aanzien van feit 2
De verdediging heeft vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde gepleit. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de aangetroffen munitie en patroonhouder voorhanden heeft gehad, aangezien deze in zijn slaapkamer zijn aangetroffen en ook anderen toegang hadden tot deze slaapkamer. Daarnaast is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de door Team Wapens, Munitie en Explosieven onderzochte munitie en patroonhouder dezelfde zijn als de tijdens de doorzoeking in beslag genomen voorwerpen omdat in het deskundigenrapport geen goednummers zijn vermeld.
De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. De verdachte heeft over de munitie en de patroonhouder verklaard:
‘Ze waren niet van mij, maar ze zijn wel bij mij aangetroffen. Ik was vergeten dat ik ze nog had liggen.’Met deze verklaring erkent de verdachte dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van de munitie en patroonhouder en daarover de feitelijke beschikkingsmacht had. Dat de verdachte heeft verklaard dat deze niet van hem waren en dat ook anderen toegang hadden tot de slaapkamer, doet aan het voorgaande niet af.
Voorts volgt uit het op ambtsedig proces-verbaal van binnentreden in woning dat de tijdens de doorzoeking aangetroffen munitie en patroonhouder dezelfde voorwerpen betreffen als die vervolgens door Team Wapens, Munitie en Explosieven zijn onderzocht. De omstandigheid dat de goednummers niet in het deskundigenrapport zijn vermeld, maakt daarom niet dat aan de identiteit van de onderzochte voorwerpen moet worden getwijfeld. De rechtbank verwerpt ook dit verweer.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 5 januari 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht aan een pand gelegen aan de [adres 2], door
- open vuur in aanraking te brengen met brandbare stoffen;
-
diebrandbare stoffen voor de voordeur te plaatsen, ten gevolge waarvan de voordeur gedeeltelijk is beschadigd,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten dat pand en voor de in dat pand aanwezige inboedel en
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de bewoners en/of aanwezigen in dat pand en/of omstanders en/of passanten, in elk geval levensgevaar en/of voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
2
hij op omstreeks 23 maart 2026 te 's-Gravenhage een onderdeel van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonmagazijn geschikt voor een gaspistool, van het merk Blow, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- een kogelpatroon, merk CBC, van het kaliber 7.65mm en
- een kogelpatroon, merk CBC, van het kaliber 9mm
voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 komt, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd gelijk aan de duur van het voorarrest. Indien de rechtbank een hogere gevangenisstraf passend acht, heeft de raadsman verzocht deze geheel voorwaardelijk op te leggen, eventueel in combinatie met een taakstaf. De raadsman heeft zich ten aanzien van de hoogte van een eventueel op te leggen taakstraf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting bij de voordeur van een woning. Door zijn handelen is brand ontstaan, waardoor gemeen gevaar voor de woning en de daarin aanwezige inboedel te duchten was. Daarnaast was levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners, omwonenden en passanten te duchten. Dat de brand zich niet verder heeft uitgebreid, is uitsluitend te danken aan het snelle ingrijpen van aangever, die de brand direct heeft weten te doven met sneeuw. Brandstichting is een ernstig feit. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid bij de direct betrokkenen en in de samenleving als geheel. De rechtbank rekent dit de verdachte zeer aan.
Daarnaast heeft de verdachte een patroonhouder en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke voorwerpen brengt risico’s voor de veiligheid van personen met zich en draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict en verkeersovertredingen. De rechtbank weegt het strafblad van de verdachte niet in strafverzwarende zin mee, omdat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 19 juni 2026. De reclassering heeft geen risicotaxatie kunnen uitvoeren, omdat de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Hierdoor kan de reclassering niet adviseren of een toezicht nodig is en zo ja, welke interventies nodig zijn. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat de verdachte zijn leven zelfstandig heeft ingericht en zich leeftijdsadequaat gedraagt.
De rechtbank neemt dit advies over en past het volwassenenstrafrecht toe.
De op te leggen straf
De rechtbank stelt voorop dat voor brandstichting als bedoeld in artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht geen oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) bestaan. De rechtbank heeft daarom acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de strafvorderingsrichtlijn van het Openbaar Ministerie. Deze richtlijn noemt voor brandstichting door een
first offendermet gevaar voor personen (en goederen) waarbij sprake is van schade als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie tot vier jaar.
Naar het oordeel van de rechtbank doet de eis van de officier justitie onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor de brandstichting en het leed en de schade die hij daarmee heeft veroorzaakt, en dat hij tevens wordt veroordeeld voor het voorhanden hebben van een patroonhouder en munitie van categorie III. De rechtbank houdt echter ook rekening met de relatief jonge leeftijd van de verdachte.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding, mede gelet op het reclasseringsadvies.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 850,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 100,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 950,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 950,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak van feit 1. Subsidiair heeft de verdediging verzocht benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de gevorderde immateriële schade. Met betrekking tot de vordering van [benadeelde] refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [aangever]
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging met betrekking tot de immateriële schade. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij de immateriële schade voldoende heeft onderbouwd. Uit het schadeonderbouwingsformulier blijkt dat de benadeelde partij na het incident gedurende enige tijd niet of slechts beperkt heeft kunnen werken, zich onveilig voelde, zijn gezin niet alleen durfde te laten, een verstoord slaappatroon heeft ontwikkeld en sindsdien alerter en wantrouwender is geworden. De rechtbank acht deze gevolgen aannemelijk en is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending zodanig zijn dat de relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid onder b van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade en immateriële heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 850,-, bestaande uit € 100,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 5 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 850,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever].
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat benadeelde partij [benadeelde] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. [benadeelde], die destijds 16 jaar oud was, was op het moment van de brandstichting alleen thuis en heeft een harde knal gehoord en vuur gezien. Tevens was er veel rookontwikkeling in de woning. Namens de benadeelde partij is een uitdraai uit haar medisch dossier overgelegd waaruit blijkt dat de huisarts als gevolg van de explosie psychische klachten heeft geconstateerd en een traumabehandeling adviseert. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid onder b van het Burgerlijk Wetboek, omdat ten aanzien van [benadeelde] voldoende concreet en naar objectieve maatstaven is vastgesteld dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de brandstichting.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 950,-, bestaande uit immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 5 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 950,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde].

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36 f, 57, 60, 157 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26, 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
30 (DERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij [aangever]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] toe tot een bedrag van € 850,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 januari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever];
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 850,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 januari 2026 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever];
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 8 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] toe tot een bedrag van € 950,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 januari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde];
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 950,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 januari 2026 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde];
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 9 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.K. van Zaltbommel, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. P. Figge, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.F. Schippers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 juli 2026.