ECLI:NL:RBDHA:2026:19083
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- T. F. Hesselink
- Rechtspraak.nl
Betaling hypotheekrente en verkoopopdracht voormalige echtelijke woning na echtscheiding
Partijen zijn sinds 1991 gehuwd in gemeenschap van goederen en eigenaar van de voormalige echtelijke woning gefinancierd met hypotheken bij Nationale Nederlanden en een lening bij het Nationaal Warmtefonds. Na het verzoek tot echtscheiding van de man in februari 2025 zijn voorlopige voorzieningen getroffen waarbij de man het gebruik van de woning kreeg en de vrouw partneralimentatie moest betalen.
De echtscheiding werd in maart 2026 uitgesproken met de verplichting tot gezamenlijke opdracht aan een makelaar voor verkoop van de woning binnen een week na inschrijving van de beschikking. De man is in hoger beroep gegaan tegen deze beschikking en verzocht om schorsing van de uitvoerbaarheid van de verkoopopdracht.
De man vordert betaling door de vrouw van haar aandeel in hypotheekrente en aflossing Nationaal Warmtefonds, terwijl de vrouw vordert dat de man meewerkt aan de verkoopopdracht en de aflossing betaalt. De rechtbank oordeelt dat de vrouw haar aandeel in hypotheekrente niet langer kan betalen en veroordeelt haar tot betaling van de helft, terwijl de man zijn aandeel moet betalen. De vordering van de man tot regres op de vrouw voor aflossingen wordt afgewezen.
De rechtbank wijst de vordering van de vrouw toe dat de man uiterlijk 8 juli 2026 de verkoopopdracht moet tekenen, met een dwangsom bij niet-naleving, en veroordeelt de man tot betaling van 14 maanden aflossing aan het Nationaal Warmtefonds. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Vrouw betaalt helft hypotheekrente, man moet verkoopopdracht tekenen en aflossing Nationaal Warmtefonds betalen.