ECLI:NL:RBDHA:2026:1909
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake visumaanvraag kort verblijf
Verzoekster diende op 10 juli 2024 een aanvraag in voor een visum voor kort verblijf, welke door de minister op 24 juli 2024 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure waarbij de minister het besluit handhaafde, stelde verzoekster beroep in bij de rechtbank. Zij verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 17 december 2025, waarbij werd vastgesteld dat verzoekster aanvankelijk geen volledige machtiging had overgelegd voor haar gemachtigde, maar deze op 18 december 2025 alsnog aan de rechtbank werd toegezonden. De bodemzaak werd inmiddels op 5 februari 2026 behandeld, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 934,- en het griffierecht van € 194,- aan verzoekster. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.