ECLI:NL:RBDHA:2026:19094

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
09/081691-26
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige woning- en bedrijfsinbraken met deels voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor meerdere gekwalificeerde vermogensdelicten, waaronder woninginbraken, inbraken in bedrijfspanden, een poging tot bedrijfsinbraak en diefstallen op besloten erven. De feiten vonden plaats tussen januari en maart 2026 in Wassenaar, ’s-Gravenhage en Wateringen. Eén tenlastegelegd feit werd vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank baseerde haar oordeel op bekentenissen, DNA-sporen, camerabeelden en andere bewijsmiddelen. De verdediging voerde onder meer een vormverzuim aan vanwege de inzet van een diensthond, maar dit werd door de rechtbank verworpen. De verdachte heeft een strafblad met eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten en een hoog recidiverisico volgens het reclasseringsadvies.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke deel zijn bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling gericht op middelengebruik, en controles op alcohol- en druggebruik. De straf is lager dan de eis van het Openbaar Ministerie, mede vanwege het ontbreken van bewijs voor braak bij enkele feiten en lagere oriëntatiepunten van de rechtbank.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/081691-26
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment gedetineerd in de PI [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 29 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C.M. Beneken genaamd Kolmer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. T. Westdijk naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De tekst van de tenlastelegging is
als bijlage Iaan dit vonnis gehecht.
Aan de verdachte is, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij in/op of omstreeks:
7 maart 2026 te Wassenaar zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond van een sleutelbos en/of één of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 100 euro) en/of een portemonnee met daarin een rijbewijs, bankpas, creditcard van de ANWB en een geldbedrag van in totaal ongeveer 150 euro van [aangever 1] ;
17 maart 2026 te Wassenaar zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een mengpaneel van [horecagelegenheid 1] ;
17 maart 2026 te Wassenaar zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal van een of meer goederen van [bedrijfsnaam] B.V.;
17 maart 2026 te Wassenaar zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond van een elektrische fiets van [aangever 2] ;
januari 2026 te ’s-Gravenhage zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal van één of meer geldbedragen en/of een sleutelbos van [aangever 3] en/of [horecagelegenheid 2] ;
2 maart 2026 te Wateringen zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal van flessen drank en/of onderdelen van een giros apparaat van [aangever 4] en/of [horecagelegenheid 3] ;
de periode van 10 februari 2026 tot en met 16 februari 2026 te Wassenaar zich tezamen en in vereniging met een of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal van flessen drank en/of antieke goederen van [benadeelde] ;
28 januari 2026 te ’s-Gravenhage heeft schuldig gemaakt aan diefstal in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond van een hobbykistje, een portemonnee met pasjes, een rugzak, een geldkistje, sigaretten en/of een canvas tas van [aangever 5] ;
25 februari 2026 te ’s-Gravenhage heeft schuldig gemaakt aan diefstal in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond van een Jung Kook Funk pop, een Minecraft beker, twee paspoorten, twee portemonnees met inhoud, sleutels en/of Cubaanse sigaren van [aangever 6] .

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 7 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 7 en 9 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Vrijspraak
feit 7
De rechtbank is met betrekking tot het onder 7 ten laste gelegde feit met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hoewel het DNA van onder meer de verdachte op een fles wodka in de garagebox is aangetroffen en het dossier camerabeelden uit de omgeving van die garagebox bevat waarop op 10 februari 2026 een persoon te zien is wiens signalement voldoet aan die van de verdachte, biedt het dossier voor het overige onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte zich in de garagebox heeft bevonden gedurende de tenlastegelegde periode. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 7 ten laste gelegde feit.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in
bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
De rechtbank zal voor de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8 volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
3.5.
Bewijsoverwegingen
feit 9
De raadsvrouw heeft vrijspraak van het onder 9 ten laste gelegde bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat een sigarettenpeuk een verplaatsbaar object is en dat daarom behoedzaam moet worden omgegaan met de bewijswaarde daarvan. Volgens de raadsvrouw kan bijvoorbeeld niet worden uitgesloten dat de sigarettenpeuk via een schoen van een bewoner in de woning terecht is gekomen.
De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat een sigarettenpeuk een verplaatsbaar object is, niet meebrengt dat het daarop aangetroffen DNA-spoor geen daderspoor kan zijn. Van belang is of de door de raadsvrouw genoemde mogelijkheid, bezien in het licht van alle omstandigheden van het geval, aannemelijk is.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bewoners van de woning niet roken, dat de aangeefster op het moment van de inbraak sigarettenrook in de woning rook, dat de sigarettenpeuk is aangetroffen op he tapijt bij de entree van de woning en dat daarop een DNA-profiel is aangetroffen dat overeenkomt met dat van de verdachte en dat deze woninginbraak heeft plaatsgevonden in dezelfde periode als de overige bewezenverklaarde feiten. Gelet op al deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank het door de raadsvrouw genoemde scenario onaannemelijk. Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het onder 9 ten laste gelegde feit.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 17 maart 2026 te Wassenaar in een woning, te weten de [adres 1] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
- een sleutelbos en
- een geldbedrag van in totaal ongeveer 100 euro en
- een portemonnee met daarin een rijbewijs, bankpas, creditcard van de ANWB en een geldbedrag van in totaal ongeveer 150 euro, die aan [aangever 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;
2
hij op 17 maart 2026 te Wassenaar een mengpaneel, dat aan [horecagelegenheid 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
3
hij op 17 maart 2026 te Wassenaar, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meer goederen, die geheel aan [bedrijfsnaam] B.V toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, het bovenraam van de voordeur te
forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
hij
op17 maart 2026 te Wassenaar, op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, enig goed, dat aan [aangever 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
5
hij op 5 januari 2026 te 's-Gravenhage een of meer geldbedragen en een sleutelbos, die aan [aangever 3] en/of [horecagelegenheid 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
enverbreking;
6
hij op 2 maart 2026 te Wateringen, gemeente Westland, flessen drank en onderdelen van een giros apparaat, die aan [aangever 4] en/of [horecagelegenheid 3] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
8
hij op 28 januari 2026 te ’s-Gravenhage in een woning, te weten de [adres 3] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
- een hobbykistje,
- een portemonnee met pasjes,
- een rugzak,
- een geldkistje,
- sigaretten, en
- een canvas tas, die aan [aangever 5] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
9
hij op 25 februari 2026 te 's-Gravenhage, in een woning, te weten de [adres 4] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
- een Jung Kook Funk pop,
- een Minecraft beker,
- twee paspoorten
- twee portemonnees met inhoud
- sleutels, en
- Cubaanse sigaren, die aan [aangever 6] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd in haar rapport van 15 juni 2026. De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de inzet van de diensthond geen sprake is geweest van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de aan de verdachte op te leggen straf te matigen wegens een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de inzet van de diensthond bij de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest. De inzet was niet noodzakelijk en bovendien buitensporig., Tenslotte heeft de raadsvrouw verzocht het reclasseringsadvies van 15 juni 2026 in positieve zin mee te wegen bij het opleggen van de straf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere gekwalificeerde vermogensdelicten, bestaande uit woninginbraken, inbraken in bedrijfspanden, een poging tot een bedrijfsinbraak, een diefstal op een besloten erf bij een woning en twee diefstallen in woningen door middel van insluiping. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de benadeelden. De woninginbraken en diefstallen in woningen hebben bovendien gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de bewoners, omdat zij hebben moeten ervaren dat een onbekende zich in of bij hun woning heeft begeven en hun persoonlijke levenssfeer heeft geschonden.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel van de Nederlandse justitiële documentatie van de verdachte van 2 juni 2026. Op 9 november 2023 en 26 januari 2024 is de verdachte voor soortgelijke vermogensdelicten, te weten winkeldiefstallen, veroordeeld. Uit het hierna genoemde reclasseringsadvies maakt de rechtbank op dat de verdachte tot en met 2023 in [land] ook meermaals is veroordeeld wegens (onder meer) diefstal. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 15 juni 2026. De reclassering ziet bij de verdachte instabiliteit op meerdere leefgebieden. De verdachte beschikt niet over stabiele huisvesting of werk en kampt met problematisch middelengebruik. De reclassering schat het recidiverisico daarom als hoog in. Hoewel de reclassering erop wijst dat de huidige leefomstandigheden de uitvoerbaarheid van interventies bemoeilijken, acht zij begeleiding mogelijk, mede omdat de verdachte in het verleden wel werk, inkomen en huisvesting heeft kunnen regelen. De reclassering adviseert daarom de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, begeleiding teneinde de praktische leefgebieden te stabiliseren en een voorwaarde gericht op het beheersen van het middelengebruik. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bereid te zijn zich aan de voorwaarden te houden. De rechtbank weegt dit mee in het voordeel van de verdachte.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en de strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (hierna: LOVS).
Gelet op de ernst en het aantal van de bewezenverklaarde feiten, de eerdere veroordelingen van de verdachte voor soortgelijke feiten en het door de reclassering als hoog ingeschatte recidiverisico kan niet worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarmee wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en een bijdrage te leveren aan het terugdringen van het recidiverisico.
De rechtbank ziet aanleiding een lagere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ten aanzien van de feiten 8 en 9 niet bewezen is dat de verdachte zich door middel van braak of verbreking toegang tot de woningen heeft verschaft. Ook weegt de rechtbank mee dat de oriëntatiepunten van de rechtbank lager liggen dan de uitgangspunten van het openbaar ministerie.
Geen sprake van vormverzuim
De rechtbank overweegt dat de opsporingsambtenaar op grond van artikel 15a van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie) bevoegd was een diensthond in te zetten. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat de verdachte zich aan zijn aanhouding trachtte te onttrekken door weg te rennen. Voorts blijkt daaruit dat de verdachte overeenkomstig artikel 15b van de Ambtsinstructie is gewaarschuwd dat een diensthond zou worden ingezet indien hij het gegeven bevel niet zou opvolgen. Nadat de verdachte geen gehoor had gegeven aan dat bevel, is de diensthond ingezet.
De rechtbank is van oordeel dat de opsporingsambtenaar onder deze omstandigheden in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de inzet van de diensthond buitensporig of disproportioneel is geweest. Van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is daarom geen sprake. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de op te leggen straf op deze grond te verminderen.
Conclusie
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen de hierna te noemen bijzondere voorwaarden worden verbonden.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 45, 57, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 7 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;
ten aanzien van feit 2:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
ten aanzien van feit 3:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
ten aanzien van feit 4:
diefstal, op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
ten aanzien van feit 5:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;
ten aanzien van feit 6:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
ten aanzien van feit 8:
diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
ten aanzien van feit 9:
diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstraf voor de duur van 24 (VIERENTWINTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf,
groot 8 (ACHT) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen 5 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij GGZ Fivoor reclassering op het adres Johanna Westerdijkplein 40 te Den Haag, of binnen gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen/inschrijven;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de forensische polikliniek van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en
het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek of ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan begeleiding via Zorgtrium of soortgelijke instelling, teneinde de praktische leefgebieden te stabiliseren, zolang de reclassering dat nodig vindt;
geeft opdracht aan GGZ Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.C. Goilo-Kam, voorzitter,
mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,
mr. T. Ketelaars, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.F. Schippers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 juli 2026.