ECLI:NL:RBDHA:2026:19139

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juli 2026
Zaaknummer
C/09/701027 / FA RK 26-2342
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:401 BWArt. 3 Protocol van 23 november 2007
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing eenhoofdig gezag en vaststelling zorgregeling en kinderalimentatie

Partijen zijn ouders van een minderjarig kind en oefenen gezamenlijk gezag uit. Verzoekster verzoekt eenhoofdig gezag en wijziging van de zorgregeling en kinderalimentatie. De rechtbank oordeelt dat onvoldoende contra-indicaties bestaan voor beëindiging van het gezamenlijk gezag en wijst het verzoek tot eenhoofdig gezag af.

De zorgregeling wordt vastgesteld conform het verzoek van verzoekster, waarbij het contact tussen verzoekster en het kind wordt gewaarborgd, ook in de periode dat verzoekster nog geen zelfstandige woonruimte heeft. De rechtbank benadrukt het belang van contact met beide ouders en wijst een verzoek tot opschorting van omgang af.

Ten aanzien van kinderalimentatie wordt vastgesteld dat door gewijzigde omstandigheden, waaronder een lagere WIA-uitkering van verzoekster, de bijdrage van verzoekster nihil wordt gesteld met ingang van 5 maart 2026. De rechtbank verwijst partijen naar een ouderschapsbemiddelingstraject om de communicatie en samenwerking te verbeteren.

Uitkomst: Verzoek tot eenhoofdig gezag afgewezen, zorgregeling vastgesteld en kinderalimentatie nihil gesteld per 5 maart 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 26-2328 (bodemzaak) en FA RK 26-2342 (223 Rv-zaak)
Zaaknummers: C/09/701003 (bodemzaak) en C/09/701027 (223 Rv-zaak)
Datum beschikking: 10 juni 2026
Gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie en voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv Pro

Beschikking op het op 5 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[verzoekster] ,

hierna: [verzoekster] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Abd Rabou te Hoofddorp.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

hierna: [belanghebbende] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Kocabas-Güler te Zoetermeer.

Procedure

In voorlopige voorzieningenprocedure met kenmerk C/09/701027:
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- het F9-bericht van 3 mei 2026 van de zijde van [verzoekster] , met bijlagen;
- het F9-bericht van 7 mei 2026 van de zijde van [verzoekster] , met bijlagen.
In bodemprocedure met kenmerk C/09/701003:
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het bericht van 24 april 2026 van de zijde van [belanghebbende] ;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het F9-bericht van 3 mei 2026 van de zijde van [verzoekster] , met bijlagen;
- het F9-bericht van 4 mei 2026 van de zijde van [belanghebbende] ;
- het F9-bericht van 8 mei 2026 van de zijde van [belanghebbende] , met bijlagen;
- het F9-bericht van 12 mei 2026 van de zijde van [verzoekster] , met bijlagen;
- het F9-bericht van 15 mei 2026 van de zijde van [belanghebbende] ;
- het F9-bericht van 18 mei 2026 van de zijde van [verzoekster] .

Mondelinge behandeling

Op 13 mei 2026 zijn de zaken ter terechtzitting van deze rechtbank gecombineerd behandeld. Hierbij zijn verschenen: [verzoekster] met haar advocaat en tolk K.D. Sikorska, [belanghebbende] met haar advocaat en tolk A. Glinka en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het bericht van 15 mei 2026 van de zijde van [belanghebbende] ;
- het bericht van 18 mei 2026 van de zijde van [verzoekster] .

Verzoek en verweer

In voorlopige voorzieningenprocedure met kenmerk C/09/701027:
[verzoekster] verzoekt de zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] bij [verzoekster] verblijft:
  • iedere dinsdag en donderdag van na school tot 19.30 uur, waarbij [verzoekster] [minderjarige] ophaalt van school en weer thuisbrengt bij [belanghebbende] ;
  • in het even weekend op zaterdag van 11.00 uur tot 20.00 uur en in het oneven weekend op zondag van 11.00 uur tot 20.00 uur, waarbij [verzoekster] [minderjarige] ophaalt bij [belanghebbende] thuis en hem daar weer terugbrengt;
  • gedurende de helft van de vakanties en feestdagen;
  • althans een zodanige voorlopige beschikking te wijzen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht.
[belanghebbende] voert verweer, dat hierna – voor zover relevant – zal worden besproken.
In bodemprocedure met kenmerk C/09/701003:
[verzoekster] verzoekt de beschikking van 19 september 2024 van deze rechtbank te wijzigen in die zin dat:
- de volgende zorgregeling tussen [verzoekster] en [minderjarige] zal gelden:
Tot het moment dat [verzoekster] over zelfstandige woonruimte beschikt:
- [minderjarige] verblijft elke dinsdag en donderdag van na school tot 19.30 uur bij [verzoekster] , waarbij [verzoekster] [minderjarige] ophaalt van school en weer thuisbrengt bij [belanghebbende] ;
- [minderjarige] verblijft in het even weekend op zaterdag van 11.00 uur tot 20.00 uur bij [verzoekster] en in het oneven weekend op zondag van 11.00 uur tot 20.00 uur, waarbij [verzoekster] [minderjarige] ophaalt bij [belanghebbende] thuis en hem daar weer terugbrengt;
Vanaf het moment dat [verzoekster] over zelfstandige woonruimte beschikt:
- [minderjarige] verblijft elke dinsdag en donderdag van na school tot 19.30 uur bij [verzoekster] , waarbij [verzoekster] [minderjarige] ophaalt van school en weer thuisbrengt bij [belanghebbende] ;
- [minderjarige] verblijft om het weekend van vrijdag na school tot zondag 19.30 uur bij [verzoekster] , waarbij [verzoekster] [minderjarige] ophaalt van school en weer thuisbrengt bij [belanghebbende] ;
  • de vakanties en feestdagen in goed onderling overleg tussen partijen bij helfte worden verdeeld, waarbij [minderjarige] gedurende de feestdagen in de even jaren bij [belanghebbende] verblijft en gedurende de feestdagen in de oneven jaren bij [verzoekster] verblijft;
  • [belanghebbende] aan [verzoekster] een dwangsom verbeurt van € 50,- voor elke dag of dagdeel dat zij de zorgregeling niet naleeft, met een maximum van
  • de door [verzoekster] te betalen kinderalimentatie op nihil wordt gesteld per 1 januari 2026, dan wel per datum indiening verzoekschrift;
  • althans een zodanige beschikking te wijzen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
[belanghebbende] voert verweer, dat hierna – voor zover relevant – zal worden besproken. Tevens verzoekt zij zelfstandig:
- de Raad voor de Kinderbescherming opdracht te geven onderzoek in te stellen, met
bijzondere aandacht voor de psychische gesteldheid en opvoedvaardigheden van [verzoekster] , haar woonsituatie, de veiligheid van [minderjarige] bij [verzoekster] , de consistente gedragsveranderingen van [minderjarige] na contactmomenten en de eventuele contra-indicaties voor contact;
  • primair te bepalen dat de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling wordt opgeschort in afwachting van een nader door de Raad voor de Kinderbescherming op te stellen rapportage, subsidiair te bepalen dat de omgang uitsluitend plaatsvindt middels begeleiding van een omgangshuis;
  • het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan [belanghebbende] toekomt;
  • althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Feiten

- Partijen zijn op [dag 1] 2021 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Bij beschikking van [dag 2] 2024 is de ontbinding hiervan uitsproken, welke op 24 oktober 2024 in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.
- Zij zijn samen de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .
- [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij [belanghebbende] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- Partijen en [minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit.
- Bij beschikking van deze rechtbank 19 september 2024 is – voor zover hier aan de orde – het door beide partijen ondertekend ouderschapsplan aan de beschikking gehecht waarin een zorgregeling is vastgesteld tussen [verzoekster] en [minderjarige] .
- In dit ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige] bij [verzoekster] verblijft, vanaf het moment dat zij over zelfstandige woonruimte beschikt:
- in de even weken op zaterdag van 10.00 uur tot 20.00 uur;
- in de oneven weken op zondag van 10.00 uur tot 20.00 uur;
- gedurende twee doordeweekse dagen, waarbij [verzoekster] [minderjarige] ophaalt van school/BSO, enkele uren met hem doorbrengt, hem weer thuisbrengt en aldaar de zorg over [minderjarige] op zich neemt tot het moment dat [minderjarige] naar bed gaat;
- gedurende drie weken van de zomervakantie;
- gedurende de kerstvakantie in de even jaren.

Beoordeling

In voorlopige voorzieningenprocedure met kenmerk C/09/701027
Op de zitting heeft [verzoekster] het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ingetrokken. De rechtbank stelt daarom vast dat er niets meer te beslissen is.
In bodemprocedure met kenmerk C/09/701003
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over [minderjarige] en tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. tot het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.
Eenhoofdig gezag
Op grond van artikel 1:253n tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:251a eerste en derde lid BW kan het gezamenlijk gezag worden beëindigd indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Gelet op de overeenkomstige toepassing van artikel 1:251a eerste en derde lid BW dient in dat geval beoordeeld te worden of a) er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b) een wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
[belanghebbende] legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. Sinds de beschikking van 19 september 2024 zijn de omstandigheden gewijzigd. De communicatie tussen partijen is ernstig verstoord en het lukt de ouders niet om op een constructieve wijze overleg te voeren en beslissingen te nemen over [minderjarige] . Volgens [belanghebbende] is dit te wijten aan de manier waarop [verzoekster] zich jegens [belanghebbende] uit, ook in het bijzijn van [minderjarige] . [minderjarige] zit klem tussen zijn moeders en dit schaadt hem. Bovendien kan [verzoekster] geen stabiele opgroei- en opvoedomgeving voor [minderjarige] bieden. Daarnaast hebben beide ouders een procedure moeten starten om vervangende toestemming te verkrijgen om met [minderjarige] naar Polen te kunnen reizen. Vanwege de onderlinge verstandhouding lukt het de ouders niet om samen gezagsbeslissingen te nemen. Daarom verzoekt [belanghebbende] haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten.
[verzoekster] voert verweer. Zij erkent dat de communicatie tussen partijen niet goed verloopt, maar volgens haar is de verstandhouding niet zodanig verstoord dat geen gezagsbeslissingen over [minderjarige] genomen kunnen worden. Niet helpend is echter dat mensen uit de omgeving van partijen zich mengen in de situatie tussen partijen. Dit zet de situatie nog verder op scherp. Het uitgangspunt is dat partijen het gezamenlijk gezag hebben en volgens [verzoekster] is geen sprake van een uitzonderingssituatie. [verzoekster] heeft op dit moment geen contact met [minderjarige] en het toewijzen van het verzoek tot eenhoofdig gezag zal [verzoekster] alleen maar meer op afstand van [minderjarige] plaatsen. Dat is niet in zijn belang.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen en dat slechts in uitzonderingsgevallen één ouder met het gezag is belast. Zowel uit de stukken als hetgeen op de zitting is besproken, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken van contra-indicaties voor het gezamenlijk gezag van beide ouders.
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, concludeert de rechtbank dat [belanghebbende] momenteel de volledige regie heeft over het leven van [minderjarige] . Dit komt onder meer tot uiting in het feit dat zij eenzijdig over het contact tussen [verzoekster] en [minderjarige] beslist. Ook andere beslissingen neemt [belanghebbende] zonder [verzoekster] daarbij te betrekken. [belanghebbende] gaat met deze wijze van handelen volledig voorbij aan het feit dat de ouders gezamenlijk het gezag hebben en aan de rol die ook [verzoekster] in het leven van [minderjarige] zou moeten vervullen. Als gevolg hiervan is er een disbalans ontstaan in de positie van beide ouders in het leven van [minderjarige] . De rechtbank ziet in de stukken en hetgeen op zitting is besproken aanleiding om te veronderstellen dat het eenhoofdig gezag vooral tot gevolg zal hebben dat de rol van [verzoekster] in het leven van [minderjarige] zal zijn uitgespeeld. Dit acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] . Hoewel de rechtbank ook constateert dat de verhouding tussen partijen verstoord is en lijkt te verharden, ziet de rechtbank ook dat dit met name gelegen is in problematiek rond het uiteengaan van partijen en dat de zorgen die [belanghebbende] uit over [verzoekster] voornamelijk zijn gebaseerd op wat zij van derden hoort, maar objectieve aanwijzingen die de zorgen ondersteunen zijn er niet. Bovendien is het de ouders afgelopen jaar gelukt om samen een basisschool te vinden voor [minderjarige] en zijn in het afgelopen jaar geen procedures meer gevoerd voor vervangende toestemming. Partijen blijken dus wel degelijk in staat om samen gezagsbeslissingen te nemen. Bovendien hebben beide ouders aangegeven aan de onderlinge communicatie te willen werken, zoals hieronder verder wordt besproken. De rechtbank zal het verzoek van [belanghebbende] afwijzen.
Zorgregeling
[verzoekster] verzoekt wijziging van de zorgregeling zoals zij in het ouderschapsplan met [belanghebbende] is overeengekomen. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat nimmer op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de zorgregeling en dat [belanghebbende] de zorgregeling op verschillende momenten eenzijdig heeft opgeschort. Dat is niet in het belang van [minderjarige] . In het ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat de zorgregeling aanvangt op het moment dat [verzoekster] over zelfstandige woonruimte beschikt. Dit is [verzoekster] nog niet gelukt, maar dat moet niet betekenen dat zij geen contact met [minderjarige] kan hebben. Daarom verzoekt zij een zorgregeling vast te leggen, ook voor de periode dat zij nog niet over zelfstandige woonruimte beschikt. [verzoekster] en [minderjarige] hebben immers recht op contact met elkaar en het is in het belang van [minderjarige] dat hij met zijn beide ouders regelmatig contact heeft en een fijne band kan behouden. [verzoekster] betwist haar medische situatie zoals door [belanghebbende] wordt geschetst. Er zijn geen objectieve stukken waaruit blijkt dat het contact tussen [verzoekster] en [minderjarige] schadelijk voor [minderjarige] zou zijn. Uit psychiatrisch onderzoek van 29 januari 2026 volgt dat de psychiater geen suïcidale gedachten en geen psychotische symptomen waarneemt. [verzoekster] leed aan kanker en is hiervoor behandeld. Dit is succesvol geweest. Zij is nu nog onder behandeling van een psycholoog vanwege depressieve klachten die hier het gevolg van waren. [verzoekster] betwist de stellingen van moeder [belanghebbende] dat [minderjarige] niet veilig zou zijn bij haar.
[belanghebbende] voert verweer en stelt dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat conform de afspraken zoals partijen in het ouderschapsplan hebben vastgelegd, de zorgregeling nog niet is aangevangen. [verzoekster] heeft immers nog geen zelfstandige woonruimte gevonden. Verder stelt [belanghebbende] dat de zorgregeling die [verzoekster] verzoekt niet in het belang van [minderjarige] is. [verzoekster] is momenteel dakloos, heeft geen vaste verblijfplaats in Nederland en ondergaat psychiatrische behandeling. [verzoekster] heeft last van stemmingswisselingen en suïcidale gedachten. Zij biedt geen stabiele leefomgeving voor [minderjarige] . [verzoekster] uit zich daarnaast negatief over [belanghebbende] tegen [minderjarige] . [belanghebbende] is van mening dat het contact moet worden opgeschort in afwachting van een raadsonderzoek, subsidiair dat uitsluitend onder begeleiding contact tussen [verzoekster] en [minderjarige] kan zijn.
De Raad heeft op de zitting opgemerkt dat de strijd tussen partijen verhard is. Dit moet [minderjarige] ook voelen. Hoewel [belanghebbende] graag wil dat de Raad een onderzoek verricht, is de Raad van mening dat de sleutel tot verbetering van de communicatie bij de ouders zelf ligt. Zij zijn verantwoordelijk om het ouderschap gezamenlijk vorm te geven. De Raad heeft een ouderschapsbemiddelingstraject geadviseerd. Ten aanzien van het contact tussen [verzoekster] en [minderjarige] heeft de Raad aangegeven geen objectieve bezwaren te zien tegen contact tussen [minderjarige] en [verzoekster] of dat het onveilig zou zijn bij [verzoekster] voor [minderjarige] . Zij is evengoed moeder van [minderjarige] en zij hebben recht op contact met elkaar.
De rechtbank overweegt als volgt. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat contact tussen [minderjarige] en [verzoekster] in het belang van [minderjarige] is. Het contact tussen [verzoekster] en [minderjarige] is de afgelopen periode meermaals door [belanghebbende] eenzijdig stopgezet, zonder dat daar naar het oordeel van de rechtbank objectieve redenen voor waren. Er is op geen enkele wijze onderbouwd dat een zorgregeling tussen [verzoekster] en [minderjarige] niet in het belang van [minderjarige] is. Dat het voor [minderjarige] niet veilig zou zijn bij [verzoekster] is vrijwel uitsluitend gebaseerd op verklaringen van mensen uit de omgeving van partijen. Aan hun objectiviteit moet ernstig worden getwijfeld. Er is, zoals hierboven eveneens overwogen, met name sprake van problematiek tussen de ouders die het gevolg is van het uiteengaan. Er is bovendien geen aanleiding om te denken dat de problemen tussen de ouders uitsluitend door het handelen van [verzoekster] worden veroorzaakt of door haar leefsituatie waarbij zij bij bekenden overnacht en geen eigen woonplek heeft. De rechtbank zal de zorgregeling vaststellen zoals door [verzoekster] verzocht, inhoudende dat zij met ingang van heden een zorgregeling zal vaststellen totdat [verzoekster] over zelfstandige woonruimte beschikt en een andere zorgregeling zal vaststellen die geldt vanaf het moment dat [verzoekster] zelfstandige woonruimte heeft gevonden. De rechtbank benadrukt dat het aan beide partijen is om zich strikt aan de vastgestelde zorgregeling te houden. Deze duidelijkheid en structuur is in het belang van [minderjarige] en zorgt naar mag worden verwacht voor meer rust in de onderlinge verhouding tussen partijen.
Een raadsonderzoek acht de rechtbank niet aangewezen en zal dit verzoek van moeder [belanghebbende] afwijzen, net als haar verzoek tot opschorting van de omgang.
Ten aanzien van de vakanties en de feestdagen zal de rechtbank vastleggen dat deze bij helfte zal worden verdeeld vanaf het moment dat [verzoekster] over eigen woonruimte beschikt. De concrete verdeling van de vakantieregeling dienen partijen in het ouderschapsbemiddelingstraject invulling aan te geven. Tot die tijd loopt de reguliere zorgregeling, ook tijdens de vakanties en feestdagen, door.
Gebleken is dat partijen eerder hulpverlening hebben gekregen van [hulpverlener] . Aan partijen is door [hulpverlener] het traject Parallel Solo Ouderschap geadviseerd, maar dit is niet van de grond gekomen. Beide ouders hebben na de zitting in hun berichten van 15 mei 2026 en 18 mei 2026 aan de rechtbank hun bereidheid uitgesproken om alsnog deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders en [minderjarige] in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.
Dwangsom
[verzoekster] verzoekt een dwangsom te koppelen aan de zorgregeling, in die zin dat [belanghebbende] een dwangsom verbeurt van € 50,- per dag of dagdeel dat zij de zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-. [verzoekster] acht dit noodzakelijk, omdat [belanghebbende] eerder de zorgregeling eenzijdig heeft stopgezet en de gemaakte afspraken niet nakomt.
[belanghebbende] voert verweer en stelt zich op het standpunt dat een dwangsom in de gegeven omstandigheden niet passend is. Dit kan juist de situatie verder doen escaleren, aangezien er al sprake is van een hoogopgelopen conflict tussen ouders. Dit verzoek moet worden afgewezen.
De rechtbank zal dit verzoek van [verzoekster] afwijzen. Omdat nu een duidelijke zorgregeling wordt vastgelegd waar beide partijen zich aan moeten houden, gaat de rechtbank ervanuit dat de zorgregeling vanaf nu correct zal worden nagekomen. Zij acht een dwangsom daarnaast niet aangewezen, omdat partijen bij ouderschapsbemiddeling zullen starten met het verbeteren van hun onderlinge verhouding.
Wijziging kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de ouders en [minderjarige] in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 1:401 eerste Pro lid BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Op grond van het vierde lid kan een rechterlijke uitspraak eveneens worden gewijzigd of ingetrokken indien zij van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegeven is uitgegaan.
[verzoekster] stelt in haar verzoek dat de omstandigheden na het opstellen van het ouderschapsplan, zoals gehecht aan de beschikking van deze rechtbank van 19 september 2024, zijn gewijzigd. In het ouderschapsplan zijn partijen een bijdrage van [verzoekster] aan kinderalimentatie overeengekomen van € 130,- per maand. Bij de berekening hiervan is uitgegaan van een inkomen van [verzoekster] van € 30.326,- bruto per jaar. Inmiddels ontvangt zij echter een uitkering op grond van de Ziektewet, waardoor haar inkomen aanzienlijk lager is dan ten tijde van het opstellen van het ouderschapsplan. Sinds februari 2026 is de uitkering op basis van de Ziektewet omgezet in een voorschot op basis van de WIA. Dit is eveneens van invloed op haar draagkracht. Daarnaast is het inkomen van [belanghebbende] , volgens [verzoekster] , juist aanzienlijk gestegen. Dit maakt dat volgens [verzoekster] sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, die aanleiding geeft tot wijziging van de kinderalimentatie.
[belanghebbende] stelt dat geenszins sprake is van gewijzigde omstandigheden die een nihilstelling rechtvaardigen. Tijdens het opstellen van het ouderschapsplan ontving [verzoekster] al een uitkering op basis van de Ziektewet. [belanghebbende] verzoekt [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek. Bovendien is de WIA-uitkering nu nog een voorschot en is nog niet bekend of dit definitief wordt.
Gelet op het voorgaande kan [verzoekster] worden ontvangen in haar verzoek vanwege de aangetoonde inkomenswijziging van [verzoekster] . Hoewel zij ten tijde van het opstellen van het ouderschapsplan reeds een Ziektewetuitkering ontving, was het de bedoeling op (korte) termijn terug te keren op de arbeidsmarkt. Inmiddels is deze situatie gewijzigd en krijgt [verzoekster] een voorschot op een WIA-uitkering. Dit heeft gevolgen voor haar inkomen en in die zin is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gewijzigde omstandigheid. Dat dit nu nog een voorschot betreft doet hier niet aan af, omdat het voorschot op zichzelf al een lager bedrag is dan de uitkering die [verzoekster] ontving op basis van de Ziektewet. Op basis van het ouderschapsplan ontving [verzoekster] toen namelijk € 30.326,- bruto per jaar, omgerekend afgerond € 2.527,- bruto per maand. Uit de overgelegde uitkeringsspecificatie van april 2026 volgt dat [verzoekster] een WIA-uitkering ontvangt van afgerond € 1.949,- bruto per maand.
De rechtbank zal hierna aan de hand van een nieuwe beoordeling van de behoefte en draagkracht onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijziging van omstandigheden ertoe leidt dat de overeenkomst niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Daarbij geldt dat de rechtbank zelfstandig oordeelt over de kinderalimentatie met inachtneming van de wettelijke maatstaven en alle op het moment van deze beschikking bestaande relevante omstandigheden. De rechtbank is in dit geval niet langer gebonden aan wat de ouders onderling over die alimentatie zijn overeengekomen.
Inhoudelijke beoordeling
Behoefte
De behoefte van [minderjarige] bedroeg in 2023 € 628,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt dit € 743,- per maand.
Draagkracht [belanghebbende]
Voor de berekening van de draagkracht van [belanghebbende] zijn partijen het erover eens dat uitgegaan moet worden van haar inkomen van € 3.200,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank zal hiervoor de door [verzoekster] overgelegde draagkrachtberekening volgen. Hieruit volgt een netto besteedbaar inkomen (NBI) van
€ 3.534,- per maand en een draagkracht van € 776,- per maand.
Draagkracht [verzoekster]
Voor de draagkrachtberekening van [verzoekster] stelt zij dat uitgegaan moet worden van haar WIA-uitkering van € 1.949,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. [belanghebbende] betwist dat hiervan uitgegaan moet worden. Zij persisteert in haar standpunt dat de inkomensdaling van [verzoekster] niet groot is, namelijk slechts € 5.000,- bruto op jaarbasis.
De rechtbank zal uitgaan van de WIA-uitkering van [verzoekster] van € 1.949,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank zal de draagkrachtberekening van [verzoekster] hierin volgen. Hieruit volgt een NBI van € 1.612,- per maand en een draagkracht van € 25,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt € 801,- per maand (€ 776 + € 25). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van [verzoekster] bedraagt: 25 / 801 x 743 = € 23,-
Het eigen aandeel van [belanghebbende] bedraagt: 776 / 801 x 743 =
€ 720,-
samen € 743,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 23,- per maand voor rekening van [verzoekster] . Een gedeelte van € 720,- per maand komt voor rekening van [belanghebbende] .
Zorgkorting
Zolang [verzoekster] nog niet over een zelfstandige woonruimte beschikt, is de rechtbank van oordeel dat uitgegaan moet worden van een zorgkorting van 15%. De zorgkorting bedraagt dan € 111,- per maand (€ 743 x 0,15). Door dit in mindering te brengen op het aandeel van [verzoekster] heeft zij een aandeel van minus € 88,- per maand.
Op het moment dat [verzoekster] over een eigen woonruimte beschikt, is de rechtbank van oordeel dat uitgegaan moet worden van een zorgkorting van 25%. Dit bedraagt dan € 186,- per maand. Door dit in mindering te brengen op het aandeel van [verzoekster] bedraagt haar aandeel minus € 163,- per maand.
In beide situaties heeft [verzoekster] een tekort en kan zij niet voorzien in de kosten voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , rekening houdend met de zorgkorting die in mindering strekt op haar aandeel. De rechtbank zal daarom de bijdrage van [verzoekster] van € 130,- per maand die zij aan [belanghebbende] moet betalen met ingang van het moment dat zij over een eigen woonruimte beschikt, nihil stellen met ingang van de datum van het verzoekschrift. Dit is per 5 maart 2026. De rechtbank zal dit vaststellen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 19 september 2024 –:
in voorlopige voorzieningenprocedure met kenmerk C/09/701027
*
stelt vast dat zij niets meer te beslissen heeft;
in bodemprocedure met kenmerk C/09/701003:
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[verzoekster] ,
briefadres te [adres 1] ,
en
[belanghebbende] ,
wonende aan de [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding, [adres 3] ;
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject.
*
bepaalt dat [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] bij [verzoekster] verblijft:
- tot het moment dat [verzoekster] over zelfstandige woonruimte beschikt:
- elke dinsdag en donderdag van na school tot 19.30 uur, waarbij [verzoekster] [minderjarige] ophaalt van school en weer thuisbrengt bij [belanghebbende] ;
- in de even week op zaterdag van 11.00 uur tot 20.00 uur en in het oneven week op zondag van 11.00 uur tot 20.00 uur, waarbij [verzoekster] [minderjarige] ophaalt bij [belanghebbende] thuis en hem daar weer terugbrengt;
- vanaf het moment dat [verzoekster] over zelfstandige woonruimte beschikt:
- elke dinsdag en donderdag van na school tot 19.30 uur, waarbij [verzoekster] [minderjarige] ophaalt van school en weer thuisbrengt bij [belanghebbende] ;
- om het weekend van vrijdag na school tot zondag 19.30 uur bij [verzoekster] , waarbij [verzoekster] [minderjarige] ophaalt van school en weer thuisbrengt bij [belanghebbende] ;
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de concrete verdeling door partijen in onderling overleg tijdens het ouderschapsbemiddelingstraject moet worden afgesproken;
*
stelt de door [verzoekster] te betalen bijdrage aan kinderalimentatie op nihil met ingang van
5 maart 2026;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2026.